Print deze pagina
Print deze pagina

Johny Lenaerts
MICHEL FOUCAULT OVER MACHT



Het machtsbegrip van Michel Foucault (1926-1984) is een provocerende en originele benadering, waar veel te weinig politieke conclusies uit getrokken werden. We vinden het stap voor stap uitgebouwd in zijn gehele werk, en Foucault heeft het talrijke keren toegelicht in diverse interviews, lezingen en artikels die na zijn dood gebundeld werden in vier dikke delen, onder de titel 'Dits et écrits'.

Willen we Foucaults machtsbegrip ten volle begrijpen, dan doen we er dus goed aan het te plaatsen binnen het politieke en culturele klimaat en de strijd- en discussiepunten uit de jaren '70 en beginjaren '80. Want Foucault was behalve een man van de wetenschap (hoogleraar in Vincennes, leerstoel aan de Collège de France) ook een activist die nà 1968 in de schijnwerpers stond. Hij ging demonstreren in Franco-Spanje, zette zich metterdaad in voor de persvrijheid, protesteerde tegen de uitwijzing van Klaus Croissant, advocaat van de Rote Armee Fraktion, was een bevoorrecht getuige van de islamitische revolutie in Iran, en kwam in een campagne voor steun voor de Poolse vakbond Solidariteit tegenover Mitterrands socialisten te staan.

1968

Foucaults machtsbegrip kan niet los gezien worden van de revolte van 1968 en diens uitlopers in de daarop volgende jaren. In een interview uit 1978 verklaarde hij: 'Ik heb geluk gehad in mijn leven: in Zweden heb ik gezien dat een sociaal-democratisch land "goed" kan functioneren, in Polen heb ik een "slecht" functionerende volksdemocratie meegemaakt. Duitsland leerde ik kennen in de jaren zestig, op het moment dat daar de economische bloei begon. Daarna heb ik tweeëneenhalf jaar in een ontwikkelingsland gewoond, in Tunesië. Dat heeft veel indruk op me gemaakt; ik ben daar getuige geweest van bijzonder hevige, heel ingrijpende studentenrellen, een aantal weken voor wat er in mei in Frankrijk gebeurde. Dat was maart 1968. De onrust heeft het hele jaar geduurd: stakingen, collegeboycots, arrestaties. En in maart was er een algemene studentenstaking. De politie drong de universiteit binnen, sloeg met de wapenstok in op de studenten, van wie een aantal ernstig gewond raakte, en ging over tot arrestaties. Er zijn processen gevoerd waarbij sommige studenten een gevangenisstraf van acht, tien, zelfs veertien jaar kregen opgelegd. Ik kon me een rechtstreeks, nauwkeurig beeld vormen van al wat zich op allerlei universiteiten in de wereld afspeelde, te meer daar mijn Franse nationaliteit me een zekere bescherming ten opzichte van de autoriteiten gaf en het mij zowel als veel van mijn collega's mogelijk maakte bepaalde dingen te doen, te zien wat er gebeurde, te zien ook hoe de reactie was van de autoriteiten, van de Franse regering... dat was niet fraai. Ik moet zeggen dat ik enorm onder de indruk ben geraakt van die jongens en meisjes die geweldige risico's liepen door een pamflet te maken, het te verspreiden, tot staking op te roepen... zij zetten echt hun vrijheid op het spel! Voor mij was het een politieke ervaring. Mijn lidmaatschap van de communistische partij, dat wat ik in Duitsland had gezien, mijn wederwaardigheden toen ik in Frankrijk was teruggekeerd en een aantal problemen van de psychiatrie aan de orde wilde stellen... dat alles had me een wat bittere politieke ervaring gegeven, enig speculatief scepticisme, dat wil ik niet verhelen... Daar in Tunesië ben ik ertoe gekomen studenten concreet hulp te bieden (...). Ik zag me in zekere zin genoodzaakt te gaan deelnemen aan de politieke discussie.'

Foucault was bijzonder gevoelig voor de rol van de politieke ideologie in de Tunesische revolte die zich voor zijn ogen voltrok. Over de studenten merkt hij op: 'Allemaal beriepen ze zich op het marxisme en dat deden ze bijzonder heftig en fel. Voor hen was het marxisme niet alleen een betere analyse van de situatie, maar tegelijkertijd een soort morele energie, een opmerkelijke existentiële daad.' En hij vervolgt (het gesprek dateert van eind 1978, op het moment dat hij hoge verwachtingen koestert van de revolutie in Iran): 'Wat kan iemand in de wereld van tegenwoordig de drang, de zin, het vermogen, de mogelijkheid geven tot absolute opoffering? Zonder dat er iets in doorklinkt van winstbejag, ambitie, honger naar macht? Dat heb ik gezien in Tunesië. De evidente noodzaak van een mythe... Een politieke ideologie, een politieke visie op de wereld, de menselijke betrekkingen, de situaties, was absoluut onmisbaar voor het aangaan van de strijd. De precisie en het wetenschappelijk gehalte van de theorie daarentegen waren volstrekt van ondergeschikt belang en brachten in de discussies veel meer verwarring dan dat ze echt een principe waren aan de hand waarvan de juiste gedragslijn kon worden uitgestippeld...' We kunnen ons voorstellen dat Foucault vervolgens begint over zijn verbazing, zijn verbijstering toen hij, eind 1968 terugkerend in Frankrijk, ontdekte hoezeer de debatten daar een 'hypermarxistisch' karakter hadden gekregen: 'Een vloedgolf van theorieën, discussies, banvloeken, uitstotingen, splintergroepjes, die mij volledig van de wijs bracht... Wat ik in de periode 1968-1969 in Frankrijk zag, was precies het tegenovergestelde van wat me in maart 1968 in Tunesië had aangesproken.' Daarom, legt hij uit, kiest hij voor concrete, toegespitste, afgebakende vormen van politieke strijd, los van iedere omhaal van woorden en het gewoeker van spitsvondigheden.

De Informatiegroep Gevangenissen

In het prille begin van de jaren '70 richtte Foucault samen met enkele medestanders de 'Groupe d'Information sur les Prisons' (GIP) op: de Informatiegroep Gevangenissen. 'Niemand van ons kan met zekerheid zeggen dat hij buiten de gevangenis zal blijven. Heden ten dage minder dan ooit,' zo stelt Foucault bij de lancering van de groep. Dan vervolgt hij: 'Ons leven van alledag raakt steeds meer verstrikt in het controlenet van de politie; op straat, op de autowegen. Rondom buitenlanders en jongeren is het begrip "staatsgevaarlijke opinies" weer opgedoken. De maatregelen ter bestrijding van het druggebruik vergroten de willekeur. De Franse samenleving staat in het teken van de "voorlopige hechtenis". Er wordt ons verteld dat het justitiële apparaat overbelast is. Dat zien we heus wel. Maar als die overbelasting nu eens te wijten is aan de politie? Er wordt ons verteld dat de gevangenissen overbevokt zijn. Maar als de bevolking nu eens over-gevangen wordt gezet? Over gevangenissen wordt weinig informatie verstrekt; het is een van de verborgen gebieden van ons maatschappelijke systeem, een van de donkere gaten in ons leven. Wij hebben het recht om te weten. Wij willen weten. Daarom hebben we, samen met magistraten, advocaten, journalisten, artsen en psychologen een Informatiegroep Gevangenissen gevormd.' Later zal Foucault ook ijveren voor de oprichting van een organisatie die gedetineerden van juridische bijstand moet verzekeren als ze die nodig hebben. De groep ondersteunt hongerstakingen en opstanden van gevangenen, en klaagt publiekelijk het gevangenissysteem aan.

De 'specifieke intellectueel'

De GIP heeft een niet onaanzienlijk succes gehad. Vrijwel overal in Frankrijk werden er comités in het leven geroepen. En al ging het initiatief meestal uit van militante maoïsten, de weerklank die het vond reikte ver buiten de linksradicale kringen. Advocaten, artsen en religieuzen deden actief mee, en informeel omvatte de beweging zo'n twee- à drieduizend personen.

De groep werd ondersteund door diverse persoonlijkheden. Een van hen was Gilles Deleuze. Een filosofische maar ook een politieke vriendschap verbond hem met Foucault. Een lang gesprek over de rol van de intellectuelen legt getuigenis af van hun diepe overeenstemming. Deze dialoog draagt als titel 'Les Intellectuels et le pouvoir' (De intellectuelen en de macht) en verschijnt in 1972. Foucault en Deleuze omschrijven daarin de nieuwe manier waarop de intellectueel vorm geeft aan wat de vorige generatie het 'engagement' had genoemd. Het gaat er niet langer om de strijd 'alomvattend' te maken, er een theoretische basis onder te leggen, de betekenis ervan af te bakenen. Tegenover de op Sartre geïnspireerde 'totale intellectueel' plaatsen zij de 'specifieke intellectueel'. De specifieke intellectueel, dat wil zeggen dat er alleen strijd gevoerd wordt voor een welomschreven doel, op een heel concrete plaats. Plaatsgebonden gevechten die daarom nog niet minder 'radicaal' zijn, aldus Foucault: 'zonder compromis of reformisme, zonder poging om dezelfde macht hoogstens van een andere naam te voorzien. Deze bewegingen zijn verbonden met de revolutionaire beweging van het proletariaat, dat immers strijdt tegen alle vormen van controle en dwang die overal dezelfde macht in stand houden.' De deelgevechten ontlenen hun eenheid, hun algemeenheid aan 'het systeem van de macht,' zo stelt Foucault nog, 'aan alle manieren waarop macht wordt uitgeoefend en toegepast.' En Deleuze antwoordt: 'Je kunt geen punt van toepassing tegenkomen zonder dat je te maken krijgt met het diffuus geheel dat je dan onmiddellijk in de lucht wilt laten vliegen, al is het op basis van de allerkleinste eis. Zo heeft iedere toegespitste revolutionaire verdediging of aanval zijn plaats binnen de arbeidersstrijd.'

Het is een taal die door de woelingen van de tijd getypeerd is. Geen van beide filosofen zou zich nog op dezelfde manier uitdrukken. Maar de basis van hun machtsbegrip was gelegd.

Discipline, Toezicht en Straf

Een van de eerste activiteiten van de GIP was het uitwerken van een enquête. Aan familieleden van gedetineerden, die bij het aanbreken van het bezoekuur in een rij voor de gevangenissen staan, werden vragenlijsten uitgedeeld. Michel Foucault zocht dit rechtstreekse contact, dat hem getuigenissen en verhalen verschafte over de levensomstandigheden van de gevangenen, over hun verleden. Hij was hevig geïnteresseerd in deze fragmenten van individuele geschiedenis, deze aangrijpende levensverhalen, heel die brutale realiteit die hij ontdekte aan de rand van de samenleving.

Parallel hieraan ondernam Foucault een historisch onderzoek naar de geboorte van de gevangenis, dat zijn beslag zou krijgen in het ophefmakende werk Surveiller et punir (Discipline, Toezicht en Straf) uit 1975. In het begin van het boek zegt hij dat het ontstaan is uit het heden. En het is nu juist zijn bedoeling 'de geschiedenis van het heden' te schrijven. Waar het in de strijd rond de gevangenissen over ging, was de techniek van de over de lichamen uitgeoefende macht. Wat is een gevangenis? Hoe zit het met de overgang tussen de spectaculaire terechtstellingen van weleer en de stilte van de huidige gevangenisstraf? Foucault: 'Een oude erfenis van het middeleeuwse cachot? Veeleer een nieuwe techniek; de uitwerking, vanaf de zestiende tot in de negentiende eeuw, van een hele reeks procedures bedoeld om greep op het individu te krijgen, het te controleren, te meten en te dresseren, het "tegelijk volgzaam en nuttig" te maken. Toezicht, oefeningen en manoeuvres, cijfers, rangen en plaatsen, klassementen, examens, registraties; een heel arsenaal aan technieken om de lichamen te onderwerpen, de veelheid van mensen de baas te worden en hun krachten te manipuleren, is tijdens de klassieke periode tot ontwikkeling gebracht in ziekenhuizen, in het leger, in het lager en middelbaar onderwijs, in de werkplaatsen. Dat heet discipline. Weliswaar zijn in de achttiende eeuw de vrijheden uitgevonden, maar ze hebben tegelijkertijd een dikke, stevige ondergrond gekregen: de disciplinemaatschappij, waar wij nog steeds deel van uitmaken. Het verschijnsel gevangenis dient in het kader van de vorming van die toezichtmaatschappij te worden gezien.'

Foucault klaagt de rol van de gevangenis aan als een besloten milieu waarover de macht probeert controle uit te oefenen en dat zelf criminaliteit voortbrengt. Van groot belang is het begrip 'panoptisme', dat wil zeggen het gevangenissysteem zoals een zekere Jeremy Bentham dat in de 18de eeuw had ontworpen: een gebouw geconstrueerd rondom een centraal punt vanwaaruit alles voortdurend in het oog zou kunnen worden gehouden. Het is het symbool geworden van het 'oog van de macht', het institutionele controlenet waar de 'strijd in de sectoren' van de jaren zeventig het voortdurend op begrepen had. Gerijpt en uitgedacht in de wisselvalligheden van de concrete strijd, is Discipline, Toezicht en Straf anderzijds weer bedoeld om bij die strijd van nut te zijn. 'Al mijn boeken,' zei Foucault in het eerder genoemde interview, 'of het nu Geschiedenis van de waanzin is of dit boek hier, zijn een soort gereedschapskistjes. Wanneer de mensen zo vriendelijk zijn ze open te maken en er een zin, een idee of een analyse uit te gebruiken, al was het een schroevendraaier of een sleutel, om de machtssystemen onklaar te maken, eventueel ook die machtssystemen waar mijn boeken uit voortgekomen zijn... wel, dan is dat alleen maar des te beter.'

Macht

In De wil tot weten, een boek van beperkte omvang uit 1976, dat als eerste deel van een Geschiedenis van de seksualiteit bedoeld was, vat Foucault zijn machtsbegrip nog eens bondig samen. Hij stelt dat de macht - die binnensluipt waar men haar op het eerste zicht niet verwacht - geen eenheid is, maar een veelheid. De macht is aanwezig in de subtielste mechanismen van het sociale verkeer: niet alleen in de staat, de klassen, de groepen, maar ook in de modes, de heersende mening, de spektakels, de spelen, de sporten, de informatie, de privé- en gezinsrelaties en zelfs in de bevrijdingsbewegingen die haar proberen te contesteren. Er tekent zich een machtsbegrip af dat ten minste twee kenmerken heeft: in de eerste plaats is de macht niet alleen onderdrukking en verbod, maar ook aansporing tot spreken en kennisproductie; in de tweede plaats vormt zij geen eenheid, is zij niet massief, geen éénrichtingsproces tussen een entiteit die beveelt en haar onderdanen.

Foucault: 'Met macht bedoel ik niet "De Macht" als geheel van instellingen en apparaten die de onderwerping van de burgers in een bepaalde staat verzekeren (...). Onder de term macht moet mijns inziens in de eerste plaats verstaan worden de veelheid van krachtsverhoudingen die immanent zijn aan het terrein waarop ze worden uitgeoefend en die hun eigen organisatieprincipes in zich dragen; het spel dat deze krachtsverhoudingen via onafgebroken botsingen en strijden transformeert, versterkt, inverteert; de steun die deze krachtsverhoudingen bij elkaar vinden, zoals een keten en een systeem ontstaat, of net andersom, de verschillen, de contradicties waardoor ze van elkaar worden geïsoleerd; en ten slotte de strategieën waarmee ze hun effecten verwezenlijken en waardoor de algemene opzet of de institutionele kristallisering vorm aannemen in de staatsapparaten, in de formulering van de wet, in de sociale hegemonieën.' De macht moet niet worden gezocht in één enkel soevereiniteitscentrum, maar in de 'beweeglijke basis van de krachtsverhoudingen die door hun ongelijkheid voortdurend machtssituaties induceren welke echter steeds lokaal en onstabiel blijven (...). De macht is overal, niet omdat zij alles incorporeert, maar omdat zij van alle kanten komt (...). De macht komt van onderuit (...). Aan machtsverhoudingen ligt, als algemene matrix, geen globale binaire oppositie tussen overheersers en overheersten ten grondslag (...). Men moet zich eerder voorstellen dat de veelvoudige krachtsverhoudingen die ontstaan en werkzaam zijn in de productieapparaten, in de gezinnen, in de kleine groepen, in de instellingen, de basis vormen voor diepgaande verdelingen die door het gehele sociale lichaam lopen.'

Maar hoe kan een macht, die bestaat uit een netwerk van consensussen, uit elkaar vallen? 'Hoeft het nog te worden gezegd dat men zich noodzakelijkerwijs "binnen" de macht bevindt, dat men er niet aan kan "ontsnappen", dat er wat de macht betreft geen absolute "buitenkant" is, omdat men dan onvermijdelijk onderworpen zou zijn aan de wet?' Het antwoord van Foucault: 'Dat zou neerkomen op een miskenning van het strikt relationele karakter van de machtsverhoudingen. Zij kunnen slechts bestaan in functie van een veelheid van weerstandspunten die, in de machtsrelaties, de rol van tegenstander, doelwit, steunpunt, aangrijpingspunt spelen (...). Er is dus ten opzichte van de macht niet één domein van de Grote Weigering - ziel van de revolte, kweekplaats van alle opstanden, zuivere wet van de revolutionair - maar er zijn wél alle mogelijke soorten weerstanden: mogelijke, noodzakelijke, onwaarschijnlijke, spontane, wilde, eenzame, gezamenlijke, slinkse, onbuigzame, tot compromissen bereide, belanghebbende of opofferingsgezinde (...). De punten, kernen, kweekplaatsen van weerstand zijn met een verschillende dichtheid in de tijd en de ruimte verspreid. Soms doen ze groepen of individuen definitief in opstand komen, soms steken ze plotseling bepaalde lichaamsdelen, bepaalde levensfasen, bepaalde gedragspatronen aan (...). Maar veel vaker hebben we te maken met beweeglijke en voorlopige weerstandspunten, die in een maatschappij breuklijnen veroorzaken die op hun beurt voortdurend verschuiven, waarbij eenheden worden verbroken of hergroeperingen worden bewerkstelligd en waarbij de individuen zelf worden getekend, verscheurd of geremodelleerd (...).' Anders uitgedrukt: de consensussen waarop de macht steunt worden altijd van binnenuit aangetast.

Micropolitiek

Uit Foucaults biografie, zijn artikels, interviews en lezingen, wordt duidelijk hoe zeer hij zijn machtsbegrip ontwikkelde in discussie met het in die tijd heersende marxistische discours. Met Discipline, Toezicht en Straf en De wil tot weten trachtte Foucault de marxistisch getinte machtstheorieën te ontkrachten, theorieën die nog taai standhielden op het moment dat hij zich aan het schrijven van zijn boeken zette, en die korte tijd nadien begonnen te wankelen.

Foucault zet zich enerzijds af tegen die revolutionaire groeperingen (maoïsten, trotskisten, anarchistische revolutionairen) die meenden dat de tijd rijp was om een algemeen offensief tegen het kapitalistisch systeem te ontketenen, en openlijk aanstuurden op een confrontatie met de staatsmacht, met als perspectief de staat omver te werpen en een einde te maken aan het kapitalistisch productieproces.

Anderzijds zette hij zich af tegen de toenmaals machtige Communistische Partij die een politiek verlengstuk voor de sociale bewegingen wilde vormen, om de strijd op het institutionele vlak te brengen en steeds méér posities in het staatsapparaat te veroveren, ten einde er de totale controle over te verwerven en op die manier een einde te maken aan het kapitalistisch systeem. Iets wat in een voorbije periode door de sociaal-democratie betracht werd.

Beide opvattingen werpen zich op als een uitweg uit de ellende die het kapitalisme creëert, en fixeren zich op (het veroveren van) de staatsmacht - de ene op revolutionaire wijze, de andere op reformistische manier. Laten we niet vergeten dat het de tijd was waarin in Italië de Rode Brigades 'de staat in het hart wilden treffen', en in Frankrijk de Communistische Partij een pact gesloten had met de Socialistische Partij (het 'Programme Commun'), en het er even op leek dat zij de verkiezingen zouden winnen.

Er is een vraag die zich steeds weer opdringt, zegt Foucault: moet men komaf maken met het marxisme om de simpele reden dat zij nauw verbonden was met de staatsmacht?

Persoonlijk, zegt Foucault, heeft hij veel belangstelling voor de historische werken van Marx, zoals zijn essays over de staatsgreep van Louis-Napoléon Bonaparte, over de klassenstrijd in Frankrijk, of over de Commune van Parijs. Toch gaat het er hem niet om te achterhalen of de ware intenties van 'de profeet Marx' al dan niet verkeerd geïnterpreteerd werden. Van groter belang vindt hij de vraag naar het marxisme als geheel van machtsverhoudingen dat verbonden is met de naam Marx. En het moet er volgens Foucault om gaan te analyseren hoe het marxisme in de moderne maatschappij functioneert. Het is een feit dat de staatsmacht, waarvan Marx het einde voorspeld had, in de socialistische landen tot grote uitwassen geleid heeft. Het marxisme is ook verbonden met het bestaan van een organisatie die Communistische Partij genoemd wordt, en die, zegt Foucault, onmiskenbaar doet denken aan een monnikenorde. Het concept van de leninistische partij vindt in de ogen van Foucault geen genade. Het miskent de individuele en subjectieve verlangens en is een organisatie met een zeer sterke hiërarchie, die functioneert via uitsluiting en verboden. Het was niets anders dan een organisatie die de ketterse elementen uitsloot en die op die manier de individuele verlangens van de militanten in een soort monolitische wil poogde te concentreren. En deze monolitische wil was nu juist de bureaucratische wil van de leiders. Voor Foucault gaat het daarentegen om de stemmen van een ontelbaar aantal subjecten te laten weerklinken en een onbeperkte ervaring 'aan het praten te brengen.'

Veeleer dan het grote spel dat de staat met de burgers of met andere staten speelt, is Foucault geïnteresseerd aan de veel beperkter, veel bescheidener machtspelletjes die in de politiek geen nobel statuut hebben en niet als grote problemen onderkend worden: het machtsspel rond de waanzin, rond de gezondheidszorg, rond de ziekte, rond het zieke lichaam, rond de straf en de gevangenis, rond de seksualiteit. 'Waanzin en rede, dood en ziekte, straf, gevangenis, misdaad, wet, dat alles maakt deel uit van ons dagelijks leven, en het is dit alledaagse dat voor ons essentieel is.'

Is het voor een revolutionair dan niet belangrijk de macht te grijpen? Deze vraag, waar onmiskenbaar een verwijt in doorklinkt, werd Foucault op een colloquium voor de voeten geworpen. Foucault: 'Iemand heeft hier gezegd dat de revolutionairen de macht willen grijpen. Op dat punt ben ik veeleer anarchist. Ik moet zeggen dat ik geen anarchist ben omdat ik niet de volkomen negatieve opvatting van de macht aanvaard; maar ik ben het niet eens met u als u zegt dat de revolutionairen de macht willen grijpen. Of veeleer ben ik het met je eens als ik eraan toevoeg: "Goddank! Ja". Het veroveren van de macht betekent voor de authentieke revolutionair dat men zich meester maakt van een schat die zich in de handen van een klasse bevindt, om het te geven aan een andere klasse, met name het proletariaat. Ik denk dat dit bedoeld wordt met revolutie en met het grijpen van de macht. Kijk dan eens naar de Sovjet-Unie. Daar hebben we een regime waar de machtsrelaties in het gezin, in de seksualiteit, in de fabrieken, in de scholen, hetzelfde gebleven zijn. De vraag is te weten of we, in het huidige systeem, op microniveau - in de school, in het gezin - de machtsrelaties zodanig kunnen omvormen dat, mocht er zich een politiek-economische revolutie voordoen, we nadien niet dezelfde machtsrelaties zouden vinden als degenen die nu bestaan...'

Heeft Foucault dan geen oog voor de rol van de staat? Foucault: 'Ik beweer helemaal niet dat het staatsapparaat niet belangrijk zou zijn, maar van alle voorwaarden die er voorhanden moeten zijn om niet het Sovjetrussische experiment te herhalen, opdat het revolutionaire proces niet zou verzanden, lijkt het me van het grootste belang in te zien dat de macht niet gelokaliseerd is in het staatsapparaat, en dat er niets in de maatschappij zal veranderen indien de machtsmechanismen buiten de staatsapparaten, boven en naast de staat, op een veel lager, dagelijks niveau, niet veranderd worden.'

En die veranderen, daar moet nu al aan begonnen worden, in de schoot van de bestaande maatschappij. Daarin stemt Foucault volgens mij overeen met Proudhon, Kropotkin en Landauer, zoals Martin Buber dit uitwerkt in 'Paden in utopia'.

Het destabiliseren van de machtsmechanismen

De strijd die Foucault in de jaren '70 tot ontwikkeling ziet komen - tegen het medische instituut, tegen het gevangenissysteem, tegen de psychiatrisering, tegen het seksisme... -, is diffuus en verspreid, en heeft de macht tot voorwerp. Het is ook een 'onmiddellijke' strijd. In twee opzichten. 'Enerzijds viseren zij de meest nabije machtsinstanties; zij viseren alles wat onmiddellijk macht uitoefent over de individuen. Anders gezegd, het gaat er in deze strijd niet om het grote leninistische principe van de hoofdvijand of van de zwakste schakel te volgen. Deze onmiddellijke strijdbewegingen wachten evenmin op het toekomstige moment dat van de revolutie, van de bevrijding, van het verdwijnen van de klassen, van het uitdoven van de staat, de oplossing van alle problemen maakt. Vanuit een theoretische hiërarchie van verklaringen of vanuit een revolutionaire orde die de geschiedenis zou polariseren en een hiërarchie van momenten zou doorvoeren, kan men stellen dat deze strijdbewegingen anarchistisch zijn; zij zijn ingebed in de schoot van een geschiedenis die onmiddellijk is, en die zichzelf opvat en aanvaardt als zijnde eeuwig open.'

Voor Foucault zijn deze strijdbewegingen en deze fenomenen erg belangrijk, en bekleden ze geenszins een marginale positie. 'Men zou moeten aantonen hoezeer deze ontwikkelingen, deze agitaties, deze strijdbewegingen - die dikwijls duister, middelmatig en klein zijn - verschillen van de strijdvormen die, onder de vlag van de revolutie, in het Westen zo hoog aangeschreven stonden. Het is evident dat, welke woordenschat of welke referenties de deelnemers van deze strijd ook mogen gebruiken, men te maken heeft met een ontwikkeling die, terwijl ze erg belangrijk is, geenszins een revolutionaire vorm of gedaante in de klassieke betekenis van het woord "revolutie" aaneemt, waarin revolutie verwijst naar een globale en unitaire strijd van een heel land, van een heel volk, van gans een klasse; waarin revolutie verwijst naar een strijd die de belofte inhoudt de gevestigde orde dooreen te schudden, in zijn kern te raken; waarin revolutie verwijst naar een strijd die een totale bevrijding oplevert, en naar een strijd die absoluut is omdat zij in feite vereist dat alle andere strijdbewegingen aan haar ondergeschikt zijn en van haar afhangen.'

Is men, op dit einde van de twintigste eeuw, getuige van het einde van het tijdperk van de revoluties, zo vraagt Foucault zich af. Dit soort profetie, dit soort terdoodverklaring vindt hij een beetje belachelijk. Of toch niet? Foucault: 'We beleven misschien het einde van een historische periode die sedert 1789-1793, op z'n minst in het Westen, gedomineerd geweest is door het monopolie van de revolutie, met alle effecten van despotisme dat dit kon impliceren - zonder dat daarom deze verdwijning van het monopolie van de revolutie een herwaardering van het reformisme inhoudt. In de strijdbewegingen waar ik het over had gaat het helemaal niet om reformisme, want het reformisme heeft als taak een machtssysteem via een aantal hervormingen te stabiliseren, terwijl het in deze strijdbewegingen gaat om het destabiliseren van machtsmechanismen, om een destabilisering die schijnbaar geen einde kent.'

Tijdens de laatste jaren van zijn leven - hij stierf in 1984 - benadrukte Foucault het belang van de strijd tegen de onderwerping van de subjectiviteit, hetgeen volgens hem aan belang toenam, ondanks het feit dat de strijd tegen de onderdrukking en de uitbuiting helemaal niet verdwenen waren. 'Om af te ronden zouden we kunnen stellen dat het probleem, dat zowel van politieke, van ethische, van sociale als van filosofische aard is, en waar we momenteel mee geconfronteerd worden, er niet in bestaat het individu proberen te bevrijden van de staat en diens instellingen, maar om onszelf te bevrijden van de staat en van de individualisatievorm dat ermee gepaard gaat. We moeten nieuwe vormen van subjectiviteit bevorderen en het type individualiteit dat men ons gedurende vele eeuwen opgelegd heeft, afwijzen.'

Een nieuwe subjectiviteit ontwikkelen, dat betekent nieuwe verhoudingen tot het lichaam, tot de tijd, tot de seksualiteit, tot het milieu, tot de cultuur, tot de arbeid... Het gaat volgens Foucault niet om 'Staat en Revolutie', maar om - met een term van Raoul Vaneigem - een revolutie van het dagelijks leven.
Verder lezen:

* Didier Eribon, 'Michel Foucault, een biografie', Amsterdam: Van Gennep, 1990
* Michel Foucault, 'Discipline, Toezicht en Straf', Groningen: Historische Uitgeverij, 2001
* Michel Foucault, 'De wil tot weten', Nijmegen: SUN, 1984.
* Michel Foucault, 'Dits et Ecrits, 1954-1988', 4 delen, Paris: Gallimard, 1994.
Tekst overgenomen van Ya Basta.