 Print deze
pagina
Johny Lenaerts
MICHEL FOUCAULT OVER MACHT
Het machtsbegrip van Michel Foucault (1926-1984) is een provocerende en
originele benadering, waar veel te weinig politieke conclusies uit getrokken
werden. We vinden het stap voor stap uitgebouwd in zijn gehele werk, en
Foucault heeft het talrijke keren toegelicht in diverse interviews, lezingen
en artikels die na zijn dood gebundeld werden in vier dikke delen, onder de
titel 'Dits et écrits'.
Willen we Foucaults machtsbegrip ten volle begrijpen, dan doen we er dus
goed aan het te plaatsen binnen het politieke en culturele klimaat en de
strijd- en discussiepunten uit de jaren '70 en beginjaren '80. Want Foucault
was behalve een man van de wetenschap (hoogleraar in Vincennes, leerstoel
aan de Collège de France) ook een activist die nà 1968 in de schijnwerpers
stond. Hij ging demonstreren in Franco-Spanje, zette zich metterdaad in voor
de persvrijheid, protesteerde tegen de uitwijzing van Klaus Croissant,
advocaat van de Rote Armee Fraktion, was een bevoorrecht getuige van de
islamitische revolutie in Iran, en kwam in een campagne voor steun voor de
Poolse vakbond Solidariteit tegenover Mitterrands socialisten te staan.
1968
Foucaults machtsbegrip kan niet los gezien worden van de revolte van 1968 en
diens uitlopers in de daarop volgende jaren. In een interview uit 1978
verklaarde hij: 'Ik heb geluk gehad in mijn leven: in Zweden heb ik gezien
dat een sociaal-democratisch land "goed" kan functioneren, in Polen heb ik
een "slecht" functionerende volksdemocratie meegemaakt. Duitsland leerde ik
kennen in de jaren zestig, op het moment dat daar de economische bloei
begon. Daarna heb ik tweeëneenhalf jaar in een ontwikkelingsland gewoond, in
Tunesië. Dat heeft veel indruk op me gemaakt; ik ben daar getuige geweest
van bijzonder hevige, heel ingrijpende studentenrellen, een aantal weken
voor wat er in mei in Frankrijk gebeurde. Dat was maart 1968. De onrust
heeft het hele jaar geduurd: stakingen, collegeboycots, arrestaties. En in
maart was er een algemene studentenstaking. De politie drong de universiteit
binnen, sloeg met de wapenstok in op de studenten, van wie een aantal
ernstig gewond raakte, en ging over tot arrestaties. Er zijn processen
gevoerd waarbij sommige studenten een gevangenisstraf van acht, tien, zelfs
veertien jaar kregen opgelegd. Ik kon me een rechtstreeks, nauwkeurig beeld
vormen van al wat zich op allerlei universiteiten in de wereld afspeelde, te
meer daar mijn Franse nationaliteit me een zekere bescherming ten opzichte
van de autoriteiten gaf en het mij zowel als veel van mijn collega's
mogelijk maakte bepaalde dingen te doen, te zien wat er gebeurde, te zien
ook hoe de reactie was van de autoriteiten, van de Franse regering... dat
was niet fraai. Ik moet zeggen dat ik enorm onder de indruk ben geraakt van
die jongens en meisjes die geweldige risico's liepen door een pamflet te
maken, het te verspreiden, tot staking op te roepen... zij zetten echt hun
vrijheid op het spel! Voor mij was het een politieke ervaring. Mijn
lidmaatschap van de communistische partij, dat wat ik in Duitsland had
gezien, mijn wederwaardigheden toen ik in Frankrijk was teruggekeerd en een
aantal problemen van de psychiatrie aan de orde wilde stellen... dat alles
had me een wat bittere politieke ervaring gegeven, enig speculatief
scepticisme, dat wil ik niet verhelen... Daar in Tunesië ben ik ertoe
gekomen studenten concreet hulp te bieden (...). Ik zag me in zekere zin
genoodzaakt te gaan deelnemen aan de politieke discussie.'
Foucault was bijzonder gevoelig voor de rol van de politieke ideologie in de
Tunesische revolte die zich voor zijn ogen voltrok. Over de studenten merkt
hij op: 'Allemaal beriepen ze zich op het marxisme en dat deden ze bijzonder
heftig en fel. Voor hen was het marxisme niet alleen een betere analyse van
de situatie, maar tegelijkertijd een soort morele energie, een opmerkelijke
existentiële daad.' En hij vervolgt (het gesprek dateert van eind 1978, op
het moment dat hij hoge verwachtingen koestert van de revolutie in Iran):
'Wat kan iemand in de wereld van tegenwoordig de drang, de zin, het
vermogen, de mogelijkheid geven tot absolute opoffering? Zonder dat er iets
in doorklinkt van winstbejag, ambitie, honger naar macht? Dat heb ik gezien
in Tunesië. De evidente noodzaak van een mythe... Een politieke ideologie,
een politieke visie op de wereld, de menselijke betrekkingen, de situaties,
was absoluut onmisbaar voor het aangaan van de strijd. De precisie en het
wetenschappelijk gehalte van de theorie daarentegen waren volstrekt van
ondergeschikt belang en brachten in de discussies veel meer verwarring dan
dat ze echt een principe waren aan de hand waarvan de juiste gedragslijn kon
worden uitgestippeld...' We kunnen ons voorstellen dat Foucault vervolgens
begint over zijn verbazing, zijn verbijstering toen hij, eind 1968
terugkerend in Frankrijk, ontdekte hoezeer de debatten daar een
'hypermarxistisch' karakter hadden gekregen: 'Een vloedgolf van theorieën,
discussies, banvloeken, uitstotingen, splintergroepjes, die mij volledig van
de wijs bracht... Wat ik in de periode 1968-1969 in Frankrijk zag, was
precies het tegenovergestelde van wat me in maart 1968 in Tunesië had
aangesproken.' Daarom, legt hij uit, kiest hij voor concrete, toegespitste,
afgebakende vormen van politieke strijd, los van iedere omhaal van woorden
en het gewoeker van spitsvondigheden.
De Informatiegroep Gevangenissen
In het prille begin van de jaren '70 richtte Foucault samen met enkele
medestanders de 'Groupe d'Information sur les Prisons' (GIP) op: de
Informatiegroep Gevangenissen. 'Niemand van ons kan met zekerheid zeggen dat
hij buiten de gevangenis zal blijven. Heden ten dage minder dan ooit,' zo
stelt Foucault bij de lancering van de groep. Dan vervolgt hij: 'Ons leven
van alledag raakt steeds meer verstrikt in het controlenet van de politie;
op straat, op de autowegen. Rondom buitenlanders en jongeren is het begrip
"staatsgevaarlijke opinies" weer opgedoken. De maatregelen ter bestrijding
van het druggebruik vergroten de willekeur. De Franse samenleving staat in
het teken van de "voorlopige hechtenis". Er wordt ons verteld dat het
justitiële apparaat overbelast is. Dat zien we heus wel. Maar als die
overbelasting nu eens te wijten is aan de politie? Er wordt ons verteld dat
de gevangenissen overbevokt zijn. Maar als de bevolking nu eens
over-gevangen wordt gezet? Over gevangenissen wordt weinig informatie
verstrekt; het is een van de verborgen gebieden van ons maatschappelijke
systeem, een van de donkere gaten in ons leven. Wij hebben het recht om te
weten. Wij willen weten. Daarom hebben we, samen met magistraten, advocaten,
journalisten, artsen en psychologen een Informatiegroep Gevangenissen
gevormd.' Later zal Foucault ook ijveren voor de oprichting van een
organisatie die gedetineerden van juridische bijstand moet verzekeren als ze
die nodig hebben. De groep ondersteunt hongerstakingen en opstanden van
gevangenen, en klaagt publiekelijk het gevangenissysteem aan.
De 'specifieke intellectueel'
De GIP heeft een niet onaanzienlijk succes gehad. Vrijwel overal in
Frankrijk werden er comités in het leven geroepen. En al ging het initiatief
meestal uit van militante maoïsten, de weerklank die het vond reikte ver
buiten de linksradicale kringen. Advocaten, artsen en religieuzen deden
actief mee, en informeel omvatte de beweging zo'n twee- à drieduizend
personen.
De groep werd ondersteund door diverse persoonlijkheden. Een van hen was
Gilles Deleuze. Een filosofische maar ook een politieke vriendschap verbond
hem met Foucault. Een lang gesprek over de rol van de intellectuelen legt
getuigenis af van hun diepe overeenstemming. Deze dialoog draagt als titel
'Les Intellectuels et le pouvoir' (De intellectuelen en de macht) en
verschijnt in 1972. Foucault en Deleuze omschrijven daarin de nieuwe manier
waarop de intellectueel vorm geeft aan wat de vorige generatie het
'engagement' had genoemd. Het gaat er niet langer om de strijd 'alomvattend'
te maken, er een theoretische basis onder te leggen, de betekenis ervan af
te bakenen. Tegenover de op Sartre geïnspireerde 'totale intellectueel'
plaatsen zij de 'specifieke intellectueel'. De specifieke intellectueel, dat
wil zeggen dat er alleen strijd gevoerd wordt voor een welomschreven doel,
op een heel concrete plaats. Plaatsgebonden gevechten die daarom nog niet
minder 'radicaal' zijn, aldus Foucault: 'zonder compromis of reformisme,
zonder poging om dezelfde macht hoogstens van een andere naam te voorzien.
Deze bewegingen zijn verbonden met de revolutionaire beweging van het
proletariaat, dat immers strijdt tegen alle vormen van controle en dwang die
overal dezelfde macht in stand houden.' De deelgevechten ontlenen hun
eenheid, hun algemeenheid aan 'het systeem van de macht,' zo stelt Foucault
nog, 'aan alle manieren waarop macht wordt uitgeoefend en toegepast.' En
Deleuze antwoordt: 'Je kunt geen punt van toepassing tegenkomen zonder dat
je te maken krijgt met het diffuus geheel dat je dan onmiddellijk in de
lucht wilt laten vliegen, al is het op basis van de allerkleinste eis. Zo
heeft iedere toegespitste revolutionaire verdediging of aanval zijn plaats
binnen de arbeidersstrijd.'
Het is een taal die door de woelingen van de tijd getypeerd is. Geen van
beide filosofen zou zich nog op dezelfde manier uitdrukken. Maar de basis
van hun machtsbegrip was gelegd.
Discipline, Toezicht en Straf
Een van de eerste activiteiten van de GIP was het uitwerken van een enquête.
Aan familieleden van gedetineerden, die bij het aanbreken van het bezoekuur
in een rij voor de gevangenissen staan, werden vragenlijsten uitgedeeld.
Michel Foucault zocht dit rechtstreekse contact, dat hem getuigenissen en
verhalen verschafte over de levensomstandigheden van de gevangenen, over hun
verleden. Hij was hevig geïnteresseerd in deze fragmenten van individuele
geschiedenis, deze aangrijpende levensverhalen, heel die brutale realiteit
die hij ontdekte aan de rand van de samenleving.
Parallel hieraan ondernam Foucault een historisch onderzoek naar de geboorte
van de gevangenis, dat zijn beslag zou krijgen in het ophefmakende werk
Surveiller et punir (Discipline, Toezicht en Straf) uit 1975. In het begin
van het boek zegt hij dat het ontstaan is uit het heden. En het is nu juist
zijn bedoeling 'de geschiedenis van het heden' te schrijven. Waar het in de
strijd rond de gevangenissen over ging, was de techniek van de over de
lichamen uitgeoefende macht. Wat is een gevangenis? Hoe zit het met de
overgang tussen de spectaculaire terechtstellingen van weleer en de stilte
van de huidige gevangenisstraf? Foucault: 'Een oude erfenis van het
middeleeuwse cachot? Veeleer een nieuwe techniek; de uitwerking, vanaf de
zestiende tot in de negentiende eeuw, van een hele reeks procedures bedoeld
om greep op het individu te krijgen, het te controleren, te meten en te
dresseren, het "tegelijk volgzaam en nuttig" te maken. Toezicht, oefeningen
en manoeuvres, cijfers, rangen en plaatsen, klassementen, examens,
registraties; een heel arsenaal aan technieken om de lichamen te
onderwerpen, de veelheid van mensen de baas te worden en hun krachten te
manipuleren, is tijdens de klassieke periode tot ontwikkeling gebracht in
ziekenhuizen, in het leger, in het lager en middelbaar onderwijs, in de
werkplaatsen. Dat heet discipline. Weliswaar zijn in de achttiende eeuw de
vrijheden uitgevonden, maar ze hebben tegelijkertijd een dikke, stevige
ondergrond gekregen: de disciplinemaatschappij, waar wij nog steeds deel van
uitmaken. Het verschijnsel gevangenis dient in het kader van de vorming van
die toezichtmaatschappij te worden gezien.'
Foucault klaagt de rol van de gevangenis aan als een besloten milieu
waarover de macht probeert controle uit te oefenen en dat zelf criminaliteit
voortbrengt. Van groot belang is het begrip 'panoptisme', dat wil zeggen het
gevangenissysteem zoals een zekere Jeremy Bentham dat in de 18de eeuw had
ontworpen: een gebouw geconstrueerd rondom een centraal punt vanwaaruit
alles voortdurend in het oog zou kunnen worden gehouden. Het is het symbool
geworden van het 'oog van de macht', het institutionele controlenet waar de
'strijd in de sectoren' van de jaren zeventig het voortdurend op begrepen
had. Gerijpt en uitgedacht in de wisselvalligheden van de concrete strijd,
is Discipline, Toezicht en Straf anderzijds weer bedoeld om bij die strijd
van nut te zijn. 'Al mijn boeken,' zei Foucault in het eerder genoemde
interview, 'of het nu Geschiedenis van de waanzin is of dit boek hier, zijn
een soort gereedschapskistjes. Wanneer de mensen zo vriendelijk zijn ze open
te maken en er een zin, een idee of een analyse uit te gebruiken, al was het
een schroevendraaier of een sleutel, om de machtssystemen onklaar te maken,
eventueel ook die machtssystemen waar mijn boeken uit voortgekomen zijn...
wel, dan is dat alleen maar des te beter.'
Macht
In De wil tot weten, een boek van beperkte omvang uit 1976, dat als eerste
deel van een Geschiedenis van de seksualiteit bedoeld was, vat Foucault zijn
machtsbegrip nog eens bondig samen. Hij stelt dat de macht - die
binnensluipt waar men haar op het eerste zicht niet verwacht - geen eenheid
is, maar een veelheid. De macht is aanwezig in de subtielste mechanismen van
het sociale verkeer: niet alleen in de staat, de klassen, de groepen, maar
ook in de modes, de heersende mening, de spektakels, de spelen, de sporten,
de informatie, de privé- en gezinsrelaties en zelfs in de
bevrijdingsbewegingen die haar proberen te contesteren. Er tekent zich een
machtsbegrip af dat ten minste twee kenmerken heeft: in de eerste plaats is
de macht niet alleen onderdrukking en verbod, maar ook aansporing tot
spreken en kennisproductie; in de tweede plaats vormt zij geen eenheid, is
zij niet massief, geen éénrichtingsproces tussen een entiteit die beveelt en
haar onderdanen.
Foucault: 'Met macht bedoel ik niet "De Macht" als geheel van instellingen
en apparaten die de onderwerping van de burgers in een bepaalde staat
verzekeren (...). Onder de term macht moet mijns inziens in de eerste plaats
verstaan worden de veelheid van krachtsverhoudingen die immanent zijn aan
het terrein waarop ze worden uitgeoefend en die hun eigen
organisatieprincipes in zich dragen; het spel dat deze krachtsverhoudingen
via onafgebroken botsingen en strijden transformeert, versterkt, inverteert;
de steun die deze krachtsverhoudingen bij elkaar vinden, zoals een keten en
een systeem ontstaat, of net andersom, de verschillen, de contradicties
waardoor ze van elkaar worden geïsoleerd; en ten slotte de strategieën
waarmee ze hun effecten verwezenlijken en waardoor de algemene opzet of de
institutionele kristallisering vorm aannemen in de staatsapparaten, in de
formulering van de wet, in de sociale hegemonieën.' De macht moet niet
worden gezocht in één enkel soevereiniteitscentrum, maar in de 'beweeglijke
basis van de krachtsverhoudingen die door hun ongelijkheid voortdurend
machtssituaties induceren welke echter steeds lokaal en onstabiel blijven
(...). De macht is overal, niet omdat zij alles incorporeert, maar omdat zij
van alle kanten komt (...). De macht komt van onderuit (...). Aan
machtsverhoudingen ligt, als algemene matrix, geen globale binaire oppositie
tussen overheersers en overheersten ten grondslag (...). Men moet zich
eerder voorstellen dat de veelvoudige krachtsverhoudingen die ontstaan en
werkzaam zijn in de productieapparaten, in de gezinnen, in de kleine
groepen, in de instellingen, de basis vormen voor diepgaande verdelingen die
door het gehele sociale lichaam lopen.'
Maar hoe kan een macht, die bestaat uit een netwerk van consensussen, uit
elkaar vallen? 'Hoeft het nog te worden gezegd dat men zich
noodzakelijkerwijs "binnen" de macht bevindt, dat men er niet aan kan
"ontsnappen", dat er wat de macht betreft geen absolute "buitenkant" is,
omdat men dan onvermijdelijk onderworpen zou zijn aan de wet?' Het antwoord
van Foucault: 'Dat zou neerkomen op een miskenning van het strikt
relationele karakter van de machtsverhoudingen. Zij kunnen slechts bestaan
in functie van een veelheid van weerstandspunten die, in de machtsrelaties,
de rol van tegenstander, doelwit, steunpunt, aangrijpingspunt spelen (...).
Er is dus ten opzichte van de macht niet één domein van de Grote Weigering -
ziel van de revolte, kweekplaats van alle opstanden, zuivere wet van de
revolutionair - maar er zijn wél alle mogelijke soorten weerstanden:
mogelijke, noodzakelijke, onwaarschijnlijke, spontane, wilde, eenzame,
gezamenlijke, slinkse, onbuigzame, tot compromissen bereide, belanghebbende
of opofferingsgezinde (...). De punten, kernen, kweekplaatsen van weerstand
zijn met een verschillende dichtheid in de tijd en de ruimte verspreid. Soms
doen ze groepen of individuen definitief in opstand komen, soms steken ze
plotseling bepaalde lichaamsdelen, bepaalde levensfasen, bepaalde
gedragspatronen aan (...). Maar veel vaker hebben we te maken met
beweeglijke en voorlopige weerstandspunten, die in een maatschappij
breuklijnen veroorzaken die op hun beurt voortdurend verschuiven, waarbij
eenheden worden verbroken of hergroeperingen worden bewerkstelligd en
waarbij de individuen zelf worden getekend, verscheurd of geremodelleerd
(...).' Anders uitgedrukt: de consensussen waarop de macht steunt worden
altijd van binnenuit aangetast.
Micropolitiek
Uit Foucaults biografie, zijn artikels, interviews en lezingen, wordt
duidelijk hoe zeer hij zijn machtsbegrip ontwikkelde in discussie met het in
die tijd heersende marxistische discours. Met Discipline, Toezicht en Straf
en De wil tot weten trachtte Foucault de marxistisch getinte machtstheorieën
te ontkrachten, theorieën die nog taai standhielden op het moment dat hij
zich aan het schrijven van zijn boeken zette, en die korte tijd nadien
begonnen te wankelen.
Foucault zet zich enerzijds af tegen die revolutionaire groeperingen
(maoïsten, trotskisten, anarchistische revolutionairen) die meenden dat de
tijd rijp was om een algemeen offensief tegen het kapitalistisch systeem te
ontketenen, en openlijk aanstuurden op een confrontatie met de staatsmacht,
met als perspectief de staat omver te werpen en een einde te maken aan het
kapitalistisch productieproces.
Anderzijds zette hij zich af tegen de toenmaals machtige Communistische
Partij die een politiek verlengstuk voor de sociale bewegingen wilde vormen,
om de strijd op het institutionele vlak te brengen en steeds méér posities
in het staatsapparaat te veroveren, ten einde er de totale controle over te
verwerven en op die manier een einde te maken aan het kapitalistisch
systeem. Iets wat in een voorbije periode door de sociaal-democratie
betracht werd.
Beide opvattingen werpen zich op als een uitweg uit de ellende die het
kapitalisme creëert, en fixeren zich op (het veroveren van) de staatsmacht -
de ene op revolutionaire wijze, de andere op reformistische manier. Laten we
niet vergeten dat het de tijd was waarin in Italië de Rode Brigades 'de
staat in het hart wilden treffen', en in Frankrijk de Communistische Partij
een pact gesloten had met de Socialistische Partij (het 'Programme Commun'),
en het er even op leek dat zij de verkiezingen zouden winnen.
Er is een vraag die zich steeds weer opdringt, zegt Foucault: moet men komaf
maken met het marxisme om de simpele reden dat zij nauw verbonden was met de
staatsmacht?
Persoonlijk, zegt Foucault, heeft hij veel belangstelling voor de
historische werken van Marx, zoals zijn essays over de staatsgreep van
Louis-Napoléon Bonaparte, over de klassenstrijd in Frankrijk, of over de
Commune van Parijs. Toch gaat het er hem niet om te achterhalen of de ware
intenties van 'de profeet Marx' al dan niet verkeerd geïnterpreteerd werden.
Van groter belang vindt hij de vraag naar het marxisme als geheel van
machtsverhoudingen dat verbonden is met de naam Marx. En het moet er volgens
Foucault om gaan te analyseren hoe het marxisme in de moderne maatschappij
functioneert. Het is een feit dat de staatsmacht, waarvan Marx het einde
voorspeld had, in de socialistische landen tot grote uitwassen geleid heeft.
Het marxisme is ook verbonden met het bestaan van een organisatie die
Communistische Partij genoemd wordt, en die, zegt Foucault, onmiskenbaar
doet denken aan een monnikenorde. Het concept van de leninistische partij
vindt in de ogen van Foucault geen genade. Het miskent de individuele en
subjectieve verlangens en is een organisatie met een zeer sterke hiërarchie,
die functioneert via uitsluiting en verboden. Het was niets anders dan een
organisatie die de ketterse elementen uitsloot en die op die manier de
individuele verlangens van de militanten in een soort monolitische wil
poogde te concentreren. En deze monolitische wil was nu juist de
bureaucratische wil van de leiders. Voor Foucault gaat het daarentegen om de
stemmen van een ontelbaar aantal subjecten te laten weerklinken en een
onbeperkte ervaring 'aan het praten te brengen.'
Veeleer dan het grote spel dat de staat met de burgers of met andere staten
speelt, is Foucault geïnteresseerd aan de veel beperkter, veel bescheidener
machtspelletjes die in de politiek geen nobel statuut hebben en niet als
grote problemen onderkend worden: het machtsspel rond de waanzin, rond de
gezondheidszorg, rond de ziekte, rond het zieke lichaam, rond de straf en de
gevangenis, rond de seksualiteit. 'Waanzin en rede, dood en ziekte, straf,
gevangenis, misdaad, wet, dat alles maakt deel uit van ons dagelijks leven,
en het is dit alledaagse dat voor ons essentieel is.'
Is het voor een revolutionair dan niet belangrijk de macht te grijpen? Deze
vraag, waar onmiskenbaar een verwijt in doorklinkt, werd Foucault op een
colloquium voor de voeten geworpen. Foucault: 'Iemand heeft hier gezegd dat
de revolutionairen de macht willen grijpen. Op dat punt ben ik veeleer
anarchist. Ik moet zeggen dat ik geen anarchist ben omdat ik niet de
volkomen negatieve opvatting van de macht aanvaard; maar ik ben het niet
eens met u als u zegt dat de revolutionairen de macht willen grijpen. Of
veeleer ben ik het met je eens als ik eraan toevoeg: "Goddank! Ja". Het
veroveren van de macht betekent voor de authentieke revolutionair dat men
zich meester maakt van een schat die zich in de handen van een klasse
bevindt, om het te geven aan een andere klasse, met name het proletariaat.
Ik denk dat dit bedoeld wordt met revolutie en met het grijpen van de macht.
Kijk dan eens naar de Sovjet-Unie. Daar hebben we een regime waar de
machtsrelaties in het gezin, in de seksualiteit, in de fabrieken, in de
scholen, hetzelfde gebleven zijn. De vraag is te weten of we, in het huidige
systeem, op microniveau - in de school, in het gezin - de machtsrelaties
zodanig kunnen omvormen dat, mocht er zich een politiek-economische
revolutie voordoen, we nadien niet dezelfde machtsrelaties zouden vinden als
degenen die nu bestaan...'
Heeft Foucault dan geen oog voor de rol van de staat? Foucault: 'Ik beweer
helemaal niet dat het staatsapparaat niet belangrijk zou zijn, maar van alle
voorwaarden die er voorhanden moeten zijn om niet het Sovjetrussische
experiment te herhalen, opdat het revolutionaire proces niet zou verzanden,
lijkt het me van het grootste belang in te zien dat de macht niet
gelokaliseerd is in het staatsapparaat, en dat er niets in de maatschappij
zal veranderen indien de machtsmechanismen buiten de staatsapparaten, boven
en naast de staat, op een veel lager, dagelijks niveau, niet veranderd
worden.'
En die veranderen, daar moet nu al aan begonnen worden, in de schoot van de
bestaande maatschappij. Daarin stemt Foucault volgens mij overeen met
Proudhon, Kropotkin en Landauer, zoals Martin Buber dit uitwerkt in 'Paden
in utopia'.
Het destabiliseren van de machtsmechanismen
De strijd die Foucault in de jaren '70 tot ontwikkeling ziet komen - tegen
het medische instituut, tegen het gevangenissysteem, tegen de
psychiatrisering, tegen het seksisme... -, is diffuus en verspreid, en heeft
de macht tot voorwerp. Het is ook een 'onmiddellijke' strijd. In twee
opzichten. 'Enerzijds viseren zij de meest nabije machtsinstanties; zij
viseren alles wat onmiddellijk macht uitoefent over de individuen. Anders
gezegd, het gaat er in deze strijd niet om het grote leninistische principe
van de hoofdvijand of van de zwakste schakel te volgen. Deze onmiddellijke
strijdbewegingen wachten evenmin op het toekomstige moment dat van de
revolutie, van de bevrijding, van het verdwijnen van de klassen, van het
uitdoven van de staat, de oplossing van alle problemen maakt. Vanuit een
theoretische hiërarchie van verklaringen of vanuit een revolutionaire orde
die de geschiedenis zou polariseren en een hiërarchie van momenten zou
doorvoeren, kan men stellen dat deze strijdbewegingen anarchistisch zijn;
zij zijn ingebed in de schoot van een geschiedenis die onmiddellijk is, en
die zichzelf opvat en aanvaardt als zijnde eeuwig open.'
Voor Foucault zijn deze strijdbewegingen en deze fenomenen erg belangrijk,
en bekleden ze geenszins een marginale positie. 'Men zou moeten aantonen
hoezeer deze ontwikkelingen, deze agitaties, deze strijdbewegingen - die
dikwijls duister, middelmatig en klein zijn - verschillen van de
strijdvormen die, onder de vlag van de revolutie, in het Westen zo hoog
aangeschreven stonden. Het is evident dat, welke woordenschat of welke
referenties de deelnemers van deze strijd ook mogen gebruiken, men te maken
heeft met een ontwikkeling die, terwijl ze erg belangrijk is, geenszins een
revolutionaire vorm of gedaante in de klassieke betekenis van het woord
"revolutie" aaneemt, waarin revolutie verwijst naar een globale en unitaire
strijd van een heel land, van een heel volk, van gans een klasse; waarin
revolutie verwijst naar een strijd die de belofte inhoudt de gevestigde orde
dooreen te schudden, in zijn kern te raken; waarin revolutie verwijst naar
een strijd die een totale bevrijding oplevert, en naar een strijd die
absoluut is omdat zij in feite vereist dat alle andere strijdbewegingen aan
haar ondergeschikt zijn en van haar afhangen.'
Is men, op dit einde van de twintigste eeuw, getuige van het einde van het
tijdperk van de revoluties, zo vraagt Foucault zich af. Dit soort profetie,
dit soort terdoodverklaring vindt hij een beetje belachelijk. Of toch niet?
Foucault: 'We beleven misschien het einde van een historische periode die
sedert 1789-1793, op z'n minst in het Westen, gedomineerd geweest is door
het monopolie van de revolutie, met alle effecten van despotisme dat dit kon
impliceren - zonder dat daarom deze verdwijning van het monopolie van de
revolutie een herwaardering van het reformisme inhoudt. In de
strijdbewegingen waar ik het over had gaat het helemaal niet om reformisme,
want het reformisme heeft als taak een machtssysteem via een aantal
hervormingen te stabiliseren, terwijl het in deze strijdbewegingen gaat om
het destabiliseren van machtsmechanismen, om een destabilisering die
schijnbaar geen einde kent.'
Tijdens de laatste jaren van zijn leven - hij stierf in 1984 - benadrukte
Foucault het belang van de strijd tegen de onderwerping van de
subjectiviteit, hetgeen volgens hem aan belang toenam, ondanks het feit dat
de strijd tegen de onderdrukking en de uitbuiting helemaal niet verdwenen
waren. 'Om af te ronden zouden we kunnen stellen dat het probleem, dat zowel
van politieke, van ethische, van sociale als van filosofische aard is, en
waar we momenteel mee geconfronteerd worden, er niet in bestaat het individu
proberen te bevrijden van de staat en diens instellingen, maar om onszelf te
bevrijden van de staat en van de individualisatievorm dat ermee gepaard
gaat. We moeten nieuwe vormen van subjectiviteit bevorderen en het type
individualiteit dat men ons gedurende vele eeuwen opgelegd heeft, afwijzen.'
Een nieuwe subjectiviteit ontwikkelen, dat betekent nieuwe verhoudingen tot
het lichaam, tot de tijd, tot de seksualiteit, tot het milieu, tot de
cultuur, tot de arbeid... Het gaat volgens Foucault niet om 'Staat en
Revolutie', maar om - met een term van Raoul Vaneigem - een revolutie van
het dagelijks leven.
Verder lezen:
* Didier Eribon, 'Michel Foucault, een biografie', Amsterdam: Van Gennep, 1990
* Michel Foucault, 'Discipline, Toezicht en Straf', Groningen: Historische Uitgeverij, 2001
* Michel Foucault, 'De wil tot weten', Nijmegen: SUN, 1984.
* Michel Foucault, 'Dits et Ecrits, 1954-1988', 4 delen, Paris: Gallimard, 1994.
Tekst overgenomen van Ya Basta.
|