[TXT] Ahdaf Soueif
MEZZATERRA : GEDEELDE GROND
Geschreven als inleiding voor Open #11.
Tekst overgenomen uit KVS-Express januari-februari 2008.
Omdat ik in Londen woon, weet ik dat ik niet de enige ben die met een gevoel van vervreemding rondloopt. Er zijn er honderdduizenden als ik : mensen met een Arabische of islamitische achtergrond die in het Westen leven en die elke dag twee keer kijken als ze zichzelf in een westerse spiegel weerkaatst zien.
...
Het was waarschijnlijk rond 1985 dat ik me begon op te winden en boos werd over de verkeerde voorstellingen waarmee ik elke keer weer te maken kreeg en dat ik dankbaar was telkens als er iets helders over ons gezegd werd. Maar tegelijkertijd stelde zich de vraag : wie waren die ‘wij’?
Ik heb op mijn dertiende eventjes op een Londense school gezeten : Mayfield Comprehensive in Putney. De blanke meisjes daar dachten dat ik blank was (of ze dachten dat ik blank genoeg was om voor blank te willen doorgaan) en de zwarte meisjes dachten dat ik zwart was (of zwart genoeg om identificatie met blanken verdacht te maken). Maar dat betekende niet dat ik zomaar kon omgaan met wie ik wilde; het betekende dat ik een keuze moest maken en me daaraan diende te houden. En welke groep ik ook koos,
de andere zou me verachten. Na drie maanden weigerde ik nog naar school te gaan. Nu ik daaraan terugdenk, beschouw ik dit als mijn eerste serieuze blootstelling aan de met-of-tegen-ons- mentaliteit; de mentaliteit die je verplicht om je als één ding te identificeren, hoewel je maar al te goed weet dat je een beetje van dit en een beetje van dat bent.
Als Egyptische opgroeien in de jaren zestig betekende opgroeien als moslim / christen / Egyptenaar / Arabier / Afrikaan / Mediterraan / neutraal / socialist, maar gelukkig met het ‘patriottische kapitalisme’.
Als stedelijk hoger opgeleide was de kans bovendien groot dat je Engels en/of Frans sprak en net zo gemakkelijk op de Stones danste als op Abd el–Halim....We waren modern en experimenteel. We geloofden in Kunst en Wetenschap. We waren gepassioneerd bekommerd om Vrijheid en Sociale Rechtvaardigheid. We beschouwden ons als bewoners van een gedeelde grond voor de Arabische en de westerse culturen, waarop ook de Russische en Indische culturen aanwezig waren, naast een hele geut
Zuid-Amerika. De vraag naar identiteit als iets dat gedefinieerd en verdedigd moest worden hield ons niet
bezig. We keken niet naar binnen, in onszelf, maar naar buiten, naar de wereld. We wisten wie we waren. Of dat dachten we toch. Ik kwam het Arabische woord voor identiteit, huwiyyah, pas tegen toen ik allang niet meer voltijds in Egypte woonde. Terugblikkend stel ik me onze jarenzestigidentiteit voor als een weidse ontmoetingsplaats, een gedeelde grond met lanen die naar de rijke achterlanden van vele tradities leidden.
Dit territorium, deze grond die zo gewaardeerd werd omdat hij een ontmoetingsplaats voor vele culturen was - laten we het ‘Mezzaterra’ noemen – werd niet uitgevonden of ontdekt door mijn generatie. Maar we waren wel de eersten die er geboren werden en er rechtmatig woonden. Het was een territorium dat bedacht en zelfs geschapen werd door Arabische denkers en hervormers vanaf het midden van de negentiende eeuw, toen Mohammed Ali Pasha van Egypte voor het eerst studenten naar het Westen
stuurde en zij terugkwamen, geďnspireerd door het beste dat ze in aanbieding hadden gezien. Generaties
Arabieren beschermden dit tijdens de duistere kolonialistische periode.
...
De generatie van mijn ouders kunnen nog navertellen hoe ze vasthielden aan hun bewondering voor het denken en de discipline van het Westen, de literatuur en muziek, terwijl ze tegelijkertijd ijverden om de westerse bezetting van hun land te beëindigen. Mijn moeder, bijvoorbeeld, die op school verliefd werd op de Britse literatuur en pas benoemd kon worden als docent Engels aan de Universiteit van Cairo nadat de Britten er verdwenen waren, vond niet dat haar afwijzing van het Britse imperialisme betekende dat ze de Engelse literatuur moest afwijzen. Ze zou zeggen dat een echte waardering en genot van de Engelse literatuur pas mogelijk is als je je bevrijdt van het Britse kolonialisme en op gelijke voet met de cultuur kunt omgaan. Dit is de houding waarover Edward Said spreekt wanneer hij zegt dat ‘wat de grote bevrijdende culturele bewegingen die tegen het westerse imperialisme opkwamen onderscheidde was dat ze naar een bevrijding streefden binnen hetzelfde discoursuniversum als dat van de westerse cultuur.’
Ze geloofden dat dit mogelijk was omdat ze een affiniteit erkenden tussen het beste van de westerse en het beste van de Arabische cultuur.
...
Ik veronderstel dat generaties Arabische Mezzaterranen inderdaad geloofden wat de westerse cultuur over zichzelf zei, namelijk dat haar waarden universalistisch, democratisch en humaan waren. Ze geloofden dat, eens je er de militaire en politieke dominantie van afpelde, er een wereld blootgelegd zou worden waarin iedereen vrijelijk kon deelnemen aan een uitwisseling van ideeën, kunstvormen en technologieën. Dit was de wereld die mijn generatie dacht geërfd te hebben : een vruchtbaar land, een overlapgebied waarin de ene cultuur in de andere overging, waarin echo’s en reflecties diepte en perspectief toevoegden, waarin de verschillen eerder interessant dan bedreigend waren, omdat ze zich afspeelden tegen een achtergrond van affiniteiten.
In de Mezzaterra wonen leverde ontzettend veel voordelen op. Op zijn best geeft het elk ding tegelijkertijd de glans van het nieuwe, het patina van het oude, de taal, de mensen, het landschap, het voedsel van de ene cultuur constant weerkaatst in de andere. Dit is geen vergelijkingsproces, geen project om uit te maken ‘wat beter is dan wat’, maar eerder zowel een distillaat als een verrijking van elk ding, elk idee. Het betekent, bijvoorbeeld, dat je zowel aan de binnenkant als aan de buitenkant van de taal zit, dat binnen elke cultuur je houding niet anders kan dan kritisch en empathisch te zijn.
Maar toen de jaren tachtig de jaren negentig binnenrolden, leek de politieke richting die de wereld insloeg elk aspect van deze identiteit te ondermijnen. Onze open en gastvrije Mezzaterra kwam aan alle kanten onder vuur te liggen.
Persoonlijk vind ik de situatie zo ernstig dat ik de laatste vier jaar nauwelijks iets geschreven heb dat hier niet rechtstreeks mee te maken heeft. De gedeelde grond is per slot van rekening de enige thuis waar ik en de mensen van wie ik houd kunnen wonen.
Terwijl delen van mijn Mezzaterra harder geworden zijn, sommigen geprobeerd hebben om binnen te vallen en grondgebied in te palmen en anderen barricades opwierpen, zag ik mijn ruimte krimpen en voelde ik de grond onder mijn voeten trillen. Tektonische platen verschuiven naar nieuwe posities en wat ooit een open en vlak terrein was vervormt tot een grillig en verraderlijk land. Maar in onze huidige wereld is separatisme geen optie. Om te kunnen blijven leven zullen we uiteindelijk allemaal op een of andere gedeelde grond moeten leven. En toch zijn de luidste stemmen degene die hiervan het bestaan ontkennen, die een ‘botsing van beschavingen’ uitbazuinen.
Gedurende de jaren negentig werd de wereld getrakteerd op het schouwspel van een Iraakse bevolking gebukt onder sancties, omdat hun dictator Koeweit binnengevallen was. Dit terwijl een deur verder de democratisch verkozen Labourregering van Israël, onder de bescherming van de vredesakkoorden
van Oslo, de diefstal van Palestijns land en grondstoffen opdreef. Geen van beide processen had kunnen plaatsgrijpen zonder de steun van de Verenigde Staten, de enige resterende supermogendheid ter wereld.
Het gevolg was een radicalisering van de Arabische opinie en de ontmaskering van de Arabische heersers als zwak en medeplichtig.
...
Zoals we nu weten, muteerde de in de vroege jaren negentig aangekondigde Nieuwe Wereldorde tegen het begin van het nieuwe millennium tot een Project voor de Nieuwe Amerikaanse Eeuw. Extreme elementen van de Amerikaanse ideologie vonden dat de sterren gunstig stonden voor de verwezenlijking van de ‘manifest destiny’ van Amerika : de tijd was rijp voor Amerika om de wereld te domineren. De sleutel daartoe zou de strategische controle zijn van de geografie en van de belangrijkste energiebron van de planeet : olie. Dominantie over Centraal Azië en de Arabische wereld zou hen zowel de controle over olie opleveren als vermijden dat die delen van de wereld allianties met China of Rusland vormden.
Maar de VS konden niet de Israëlische politiek en ambities in de regio onderschrijven en tegelijkertijd door het Arabische volk als een vriend beschouwd worden. Aan de basis hiervan lag grotendeels de Palestijnse kwestie, maar ook de Arabische visie op het Israëlische verlangen om de plaatselijke
supermogendheid te worden. Naast de problemen rond de Syrische Golanhoogten, de Libanese ‘Shaba farms’ en de niet helemaal afgezworen expansionistische idee van het ‘Eretz Israel’, had Israël een vinger in de pap bij heel wat zaken die van kritische invloed waren op het welzijn van zijn buren, zoals het
debat over het aandeel Nijlwater voor Egypte, de clandestiene invoer van genetische gemanipuleerde gewassen in de plaatselijke landbouw of de groeiende drughandel. Zo kon Amerika (en dit is vóór 11 september 2001) zijn belangen in de regio niet proberen veilig te stellen door middel van een positieve
of wederzijds voordelige relatie met de Arabieren.
Dit is iets dat de Amerikaanse media nooit duidelijk maken aan het Amerikaanse publiek : de hele onenigheid tussen de Arabische wereld en de VS heeft enkel te maken met Israël. Over het Internationale Gerechtshof, het milieubeleid en problemen met de globalisering ligt Amerika overhoop met de hele wereld, niet alleen met de Arabieren. Specifiek tussen Amerika en de Arabieren staat alleen Israël – of
althans tot de door de VS geleide inval in Irak in 2003.
...
Elke Amerikaanse regering van 1967 tot 2001 heeft met tijdelijke vredesakkoorden geprobeerd om voor Israël tijd te winnen en het op het terrein te laten begaan. Sinds het bezoek van Richard Nixon aan Egypte in de vroege jaren zeventig bestond de Amerikaanse aanpak van de Arabische vijandigheid tegenover het VS-beleid erin de regio (vooral Egypte) door USAID-projecten steeds afhankelijker te maken van de VS, corrupte Arabische heersers te helpen en hen nog corrupter te maken, regimes advies te geven en met hen
samen te werken om de oppositie het zwijgen op te leggen en locale elites te proberen in te lijven. Regimes die tegen de Amerikaanse lijn tegenstribbelden werden ‘schurkenstaten’ genoemd en kregen sancties over zich heen.
Maar deze onvoorwaardelijke pro- Israëlische houding werd stilaan problematisch. Onder invloed van de
alternatieve media, het Internet en de inspanningen van de tweede generatie van Arabische Amerikanen, groeide het Amerikaanse bewustzijn van de benarde positie waarin het Palestijnse volk verkeerde. Misschien hadden de Amerikaanse belastingbetalers toen kunnen inzien dat de miljarden dollars die ze betaalden om Israël te subsidiëren hen enkel de woede van de Arabieren en de moslims op de hals haalden en dat ze op deze manier beetje bij beetje van de rest van de wereld vervreemd geraakten. Ze hadden zich kunnen afvragen waarom deze steun zo noodzakelijk bleef terwijl Israël toch de enige kernmacht in de regio was geworden, het vierde sterkste leger in de wereld had en toch bleef weigeren om zich bij internationale wetten neer te leggen, zelfs nu het niet langer onder existentiële dreiging stond.
De gebeurtenissen van 11 september 2001 speelden compleet in de kaarten van wat later het neoconservatieve droomscenario zou blijken te zijn. Na de ineenstorting van de Sovjetunie hadden de VS geen nood meer aan de islamistische strijders die ze in Afghanistan zelf mee in het leven geroepen hadden. Meer nog, ze waren een lastpost geworden sinds de VS weigerden tegemoet te komen aan de eis van hun oude bondgenoot Osama bin Laden om de Amerikaanse troepen uit Saoedi- Arabië terug te trekken. De politieke grondslag om de Arabische wereld te bejegenen in termen van zuivere macht werd gelegd door de neoconservatieven die nu cruciale posities in de regering ingenomen hadden. Het ideologische kader voor een confrontatie met ‘de islam’ werd gefabriceerd door Samuel Huntington en zijn volgelingen vanuit een anti-islamdiscours dat courant geworden was sinds de Iraanse revolutie van Khomeini. Er werd een ‘War on Terror’ uitgeroepen. Israëlische politici sprongen op de kar en verklaarden zich eensgezind met Amerika, of verklaarden eerder dat zij altijd al in oorlog waren geweest met het terrorisme en dat Amerika zich daar nu eindelijk bij aangesloten had.
Nu was het mogelijk om het conflict te verschuiven van het politieke naar het metafysische domein : een conflict met een vijand die zo ongrijpbaar was dat hij overal gezien kon worden waar mogelijke weerstand tegen het Amerikaanse of Israëlische beleid dreigde.
Onder die vlag startte in 2003 de oorlog tegen Irak, die nog volop voortwoedt terwijl ik dit schrijf. De oude kolonialistische taal maakt weer opgang. Politici en experts blijven Irakezen beschrijven met etnische en religieuze termen, hoewel de Irakezen zich zelf (in de Arabische media) met politieke
en economische termen beschrijven. De VS willen absoluut een venijnige versie van het globale kapitalisme door de Iraakse strot rammen.
Totnogtoe is het effect van het Amerikaanse beleid op de Arabische wereld compleet het tegendeel van de gestelde doelen. In Palestina omschreef Amerika zichzelf als de ‘eerlijke makelaar’ tussen de Palestijnen en de Israëli’s en legde de zaak vervolgens in handen van Speciale VS-gezanten die nagenoeg allemaal voortkwamen uit het AIPAC (American Israel Public Affairs Committee). Vandaag, na een ‘vredesproces’
dat al dertig jaar door Amerika gesponsord wordt, zijn duizenden Palestijnen en honderden Israëli’s vermoord, is Jeruzalem omsingeld door illegale nederzettingen, is de Westelijke Jordaanoever gedecimeerd, wordt er volop een Apartheidbarričre gebouwd en heeft de president van de VS het op
zich genomen om Israël vrij te spreken van eender welke verplichting om zich te schikken naar gemaakte afspraken, het internationale recht of de uitgesproken wil van de wereld. Gaza en Rafah zijn het toneel van moordpartijen en afbraken van huizen op een schaal die sinds 1948 ongezien is.
In Egypte nodigde wijlen Anwar Sadat de VS uit om er hun tenten op te slaan en de beloofde vrede, democratie en voorspoed waar te maken; en het regime heeft sindsdien trouw de Amerikaanse lijn gevolgd. Vandaag loopt het land gebukt onder een ongeziene armoede, een immense kloof tussen arm en rijk en een wanhopige middenklasse. De kleine beetjes representatieve regering die bestonden werden
in de kiem gesmoord, de Egyptenaren hebben de laatste drieëntwintig jaar onder een Noodwet geleefd en de inbreuken op de burgerlijke mensenrechten zijn een plaag geworden. De situatie is zo slecht dat de Egyptenaren een ongeveer zesduizend jaar oude trend omgebogen hebben en nu uit hun land proberen te emigreren.
In elk ‘derdewereldland’ dat in de Amerikaanse beloftes geloofde of ze opgedrongen kreeg, zien we gelijkaardige effecten. En nog altijd bazelen de media over het ‘vredesproces’ en over hoe ‘democratie’ naar de Arabieren gebracht kan worden. Bijna 300 jaar geleden toonde Giambattista Vico aan dat het eerste symptoom van geestelijke ontaarding de corruptie van de taal is. Hier toont zich duidelijk een taak voor de media : de regeringen van de VS en Groot-Brittannië zouden verplicht moeten worden om heel duidelijk te maken wat ze precies bedoelen met ‘soevereiniteit’, ‘democratie’, ‘vrijheid’, ‘stabiliteit’, ‘vrede’ en ‘terrorisme’. Deze mensen zijn geen vage idealisten, dit zijn advocaten en zakenlui, ze weten alles over de kleine lettertjes. Ze staan aan het hoofd van democratisch verkozen regeringen die
verantwoording moeten afleggen aan kamers van volksvertegenwoordiging en het volk. De media zouden moeten eisen dat ze in hun uitlatingen aan hun kiezers ook de kleine lettertjes meegeven. We zouden de vraag zelfs kunnen vernauwen en vragen wat de Britse en Amerikaanse regeringen met deze termen bedoelen in de context van hun omgang met de Arabische wereld. Dan, afhankelijk van hoe de definities overeenkomen met bijvoorbeeld die van de OED (Oxford English Dictionary), kunnen we andere termen zoeken voor de dingen die Bush en Blair zo graag naar de regio exporteren.
En aangezien de westerse media nu zo vrolijk Arabische woorden in de mond nemen, ware het nuttig als ze konden aantonen dat ze die inderdaad ook begrijpen. Ze zouden kunnen beginnen met ‘jihad’, ‘fatwah’ en ‘shaheed’, die allemaal zoveel gelaagder en subtieler zijn dan je zou denken als je ze enkel in het Engels tegenkomt.
De hele zaak van de islam en het Westen moet op een eerlijke manier onderzocht worden. De huidige jammerklacht waarin we zeggen ‘dat we zo weinig van elkaar weten’, of in de woorden van Lord Carey, de ex-aartsbisschop van Canterbury, ‘dat we af moeten van onze diepe haat voor elkaar’, mag dan wel goedbedoeld zijn, maar steunt op onjuiste premissen die ons niet vooruithelpen. De grote groepen Arabische christenen en christenen die in moslimlanden wonen weten wel degelijk heel wat af van moslims. En uit niets blijkt dat ze hen ‘haten’. Arabische christenen hebben zelfs zij aan zij gestreden met hun islamitische landgenoten tegen de kruisvaarders en de westerse kolonialisten van recentere tijden. En moslims zijn juist heel erg goed geďnformeerd over christenen. Veertien eeuwen lang waren de oosterse christenen hun landgenoten, buren en vrienden. En moslims hebben over westerse christenen moeten leren, al was het maar omdat de laatste tweehonderd jaar het Westen de dominante macht geweest is in moslimlevens.
...
Een daarmee verbonden en veelvoorkomend thema is de bewering dat Arabieren Israël en het Westen als een alibi gebruiken voor hun passiviteit, dat ze zelf maar eens hun boontjes moeten leren doppen en zich ontwikkelen. Hier is het van essentieel belang dat we een onderscheid maken tussen de Arabieren en hun heersers. De heersers zullen niets doen, omdat ze enkel aan de macht willen blijven. Ze zijn tekortgeschoten in hun voornaamste taak, namelijk de bescherming van de soevereiniteit van hun land en het gebruik van de hulpbronnen van het land om de mensen een degelijk leven te bieden. Hun positie is nu zo hachelijk dat ze in geen enkele richting meer durven te bewegen, enerzijds uit angst dat de woede van hun bevolking hen uiteindelijk aan de kant zal schuiven, en anderzijds omdat ze Amerika niet voor het hoofd willen stoten. Wat betreft de bevolking, die heeft meer dan genoeg te doen. Ten eerste overleven – en dat lukt maar net. De armen zijn armer dan ooit. Mensen uit de middenklasse hebben vaak twee banen om de eindjes aan elkaar te knopen : ambtenaren rijden in taxi’s, advocaten werken als parkeerwachters, voedselstalletjes worden uitgebaat door gediplomeerden. En toch dagen plaatselijke NGO’s de regering uit over mensenrechten, vakbondwetten, of grondwettelijke hervormingen. Burgers klagen regeringsambtenaren aan voor corruptie. Ze brengen zaken voor de rechtbank en winnen die ook. Kunstenaars schilderen en muzikanten zingen. Kranten staan bol van analyses en debatten; en dit allemaal tegen een achtergrond van willekeurige arrestaties en martelingen, niet alleen in gevangenissen, maar ook in politiekantoren. Er worden protestmarsen georganiseerd, hoewel de staat duizenden gewapende veiligheidstroepen op de straten zet. En ondanks de bezoedeling van deze termen, komen mensen nog steeds op voor democratie en vrijheid.
Wat brengen de westerse media daar allemaal van uit?... Toen het UNDPrapport uitpakte met afgrijselijke bevindingen over de Arabische landen, waar was toen de logische bezorgdheid over het armzalig kleine percentage van de staatsbudgetten gespendeerd aan onderzoek en ontwikkeling en de biljoenen gespendeerd aan de import van westerse wapens? In plaats daarvan schreeuwden de krantenkoppen dat 50% van de Arabische vrouwen nog altijd ongeletterd was. Maar volgens een andere bevinding hadden de Arabische vrouwen in de laatste twee decennia qua geboekte vooruitgang elke andere vrouwengroep in de wereld achter zich gelaten. Waarom verscheen daar geen krantenkop over?
Nu kunnen we wel stellen dat het beeld van de westerse media geen al te grote prioriteit is voor mijn vrienden in Egypte en andere Arabische landen. En dat hoeft ook niet. Maar voor degenen onder ons die in het Westen leven, is deze beeldvorming die zo in strijd is met de waarheid bijzonder ergerlijk. Of zoals Jean Genet in Un Captif Amoureux observeerde, kan een beeld gebruikt worden als masker om de realiteit
voor duistere doeleinden te manipuleren. En hoewel het niet juist zou zijn om de media in het algemeen kwaadaardige motieven toe te schrijven, is het niet onredelijk om te zeggen dat als de media de Arabische wereld als fundamenteel passief, primitief en hopeloos afschilderen en Arabieren bijna nooit tonen als mensen die de handen uit de mouwen steken (behalve als zelfmoord of andere terroristen), ze de politici
rechtvaardiging bieden voor hun droom van overheersing.
Hier speelt ook een bepaalde soort van Arabische intellectuelen een cruciale rol. Door hun openlijke afkeur uit te spreken voor de buitensporige onderdrukking in hun geboortelanden en door de wreedheden die er plaatsgrijpen aan de kaak te stellen, zullen deze intellectuelen (van wie het merendeel in Washington DC te vinden is) impliciet hun kritiek uitbreiden en ook de cultuur en mensen van deze landen in diskrediet brengen. Zo leveren ze de ideologische rechtvaardiging om ‘deze mensen van zichzelf te redden’. Dit kon je recent nog in volle actie zien in de geschriften van Arabische intellectuelen die ingebed waren in de Amerikaanse regering en die aanstuurden op het rampzalige Iraakse avontuur.
Het is een cliché geworden om te zeggen dat de wereld nog nooit zulke gevaarlijke tijden heeft gekend. Wellicht is dat ook zo. De feiten waarmee we nu leven zijn vaak genoeg herhaald : de afwezigheid van een wereldmacht naast die van de Verenigde Staten, de onvervreemdbare link tussen de VS en de wereldambitie van kapitaal en corporatisme en de reikwijdte en kracht van de hedendaagse wapens.
Hieraan zou ik willen toevoegen dat de vereenzelviging van de islam met ‘de vijand’ (ondanks alle poging om dit te verdoezelen) bijzonder gevaarlijk is. Toen het Westen de USSR als ‘de vijand’ bestempelde, moesten ze ‘het Rijk van het Kwade’ uit het niets uitvinden. Maar met de islam moesten de ideologen en
propagandisten van het Westen enkel maar oude kolonialistische en oriëntalistische ideeën over de islam oprakelen : een inherent fanatiek, gewelddadig ideologisch systeem dat de moderniteit afwijst. Hier kan ingespeeld worden op diepgewortelde angsten en vooroordelen die teruggaan tot in de middeleeuwen
. Toen het IRA op het hoogtepunt van de ‘Troubles’ een bommencampagne op het vastenland losliet, was de suggestie dat dit een blijk van ‘katholiek fanatisme’ was marginaal. Hoe weerzinwekkend het opblazen van burgers ook was, het moest gezien en behandeld worden als een politiek gemotiveerde daad. Een gelijkaardige reactie werd verleend aan de bommencampagne van het Afrikaanse Nationaal Congres,
waarbij geen enkel redelijk mens suggereerde dat het hier om ‘zwart fanatisme’ ging. Van 1970 tot 2000 waren de Verenigde Staten rechtstreeks betrokken in de creatie en ondersteuning van islamistische groepen om seculiere nationale bevrijdingsbewegingen in Palestina en andere Arabische landen te bestrijden. Samen met de Arabische regimes slaagden de VS erin om het merendeel van de politieke oppositie in de armen van het islamisme te drijven. Nu de meest militante islamistische extremisten, van wie de grondgebieden het ‘doelwit’ van de westerse politiek geworden zijn, de strijd niet langer enkel op hun thuisgrond willen uitgevochten zien en een deeltje van de verwoesting naar westers gebied uitvoeren, krijgen we een kant-en-klaar discours over de ‘nihilistische islamistische fanatici’ die als wildemannen te keer gaan omdat ze de westerse democratie, vrijheid en welvaart haten. Je hoeft het doden van burgers niet goed te keuren om hier de politieke eisen achter te zien. Meer nog, de ontkenning van deze politieke
eisen zorgt er net voor dat het conflict voortduurt en escaleert, met nog meer onschuldige doden.
...
Een akelig, akelig beeld. En toch is er nog hoop. De hoop ligt in een ‘eenheid van bewustzijn’ tussen de mensen van de wereld voor wie deze uitdrukking nog enige betekenis heeft. We hebben dit bewustzijn aan het werk gezien in de demonstraties die net voor de invasie van Irak over de hele planeet trokken, in de woede van de Amerikanen en Europeanen bij de beelden uit de Abu Ghreib gevangenis in Irak, in de moedige houding van de Israëli’s die weigeren te dienen in de Bezetting en in de individuele burgers van over de hele wereld die geprobeerd hebben – en sommigen hebben dat met hun leven betaald - om
de Palestijnen van de ondergang te behoeden. We zien het elke dag in de geschriften van de moedige en hardnekkige enkelingen in de mainstream media en in het onvermoeibare werk van de alternatieve media. Het wordt uitgedrukt in een waaier van volksbewegingen die met elkaar versmelten in een wereldwijde inspanning om de loop van het globale kapitalisme te beďnvloeden en bij te sturen.
Maar al deze stemmen en dit bewustzijn kunnen maar doeltreffend zijn als de westerse democratieën handelen in overeenstemming met hun eigen waarden. Het is een schande dat in de VS en Groot-Brittannië rond internationale politieke kwesties zo weinig verschil is tussen de regerende partijen en de oppositie. Democratie veronderstelt een krachtige oppositie in kwesties van nationaal belang en veronderstelt ook vrije en geďnformeerde media die het als hun taak beschouwen om het electoraat over de feiten te informeren. De huidige aanslagen op de burgerrechten aan beide kanten van de Atlantische
Oceaan, de drang om de bezorgdheid over de veiligheid boven elke andere bezorgdheid te plaatsen, de pogingen om te knoeien met onderwijs en wetten om een politieke agenda te dienen.
...
Dit doet me nergens sterker aan denken dan aan de activiteiten van de heersende regimes in de Arabische wereld van de laatste decennia, activiteiten die de Arabische wereld nu gebracht hebben tot wat Arabische intellectuelen als het absolute laagtepunt van hun geschiedenis bestempelen.
De Palestijnse zaak is van het allergrootste belang en niet alleen vanuit een humanitaire bezorgdheid over de benarde situatie van de Palestijnen. Het is van belang dat vandaag, in het volle zicht van de wereld en in complete weerwil van de mechanismen die de internationale gemeenschap ingevoerd heeft om twisten tussen landen te beslechten, een bevoorrechte staat uitgebreid illegale brutaliteiten kan begaan en toegelaten wordt om er haar voordeel mee te doen. Als de wereld Israël toelaat de Westelijke Jordaanoever en Jeruzalem te stelen en de geschiedenis van het volk te ontkennen dat het in 1948 en 1967 beroofd heeft, dan zal de wereld daarmee bekennen dat het een wetteloze plaats is, en dan zal de wereld de gevolgen dragen van deze bekentenis. In de Palestijnse zaak toont ook de wereldwijde invloed van de VS zich het scherpst. Als er geen rechtvaardige oplossing voor het Palestijnse probleem komt, als de gewone burgers van Palestina en Israël geen omstandigheden gegund worden waarin ze hun dagelijkse leven op een menselijke manier kunnen leiden, dan zal de invloed van de enige supermogendheid ter wereld zich als onverbeterlijk kwaadaardig laten kennen.
De globalisering is bezig, aangedreven door economie, economische ideologie en communicatie. Maar moet dit nu echt gepaard gaan met een economische, politieke, culturele inlijving van delen van de wereld door degene die op een gegeven moment toevallig het machtigst is? Dit is toch gegarandeerd een
weg van constante conflicten, verdriet en ellende?
Er is een andere weg, die erin bestaat op de gedeelde grond te gaan wonen en hem te verbreden. Dit is de grond waar iedereen welkom is, de grond die we moeten verdedigen en uitbreiden. Mezzaterra is de plek waar iedere verantwoordelijke persoon op deze planeet nu naar dient te migreren. En daar moeten we onze standpunten duidelijk maken.
Londen, juni 2004
Ahdaf Soueif is de auteur van de bestsellers In the Eye of the Sun en The Map of Love, een roman die in 1999 genomineerd werd voor de prestigieuze Bookerprijs. Behalve fictie schrijft ze ook politieke en culturele commentaren. Ze pendelt tussen Londen en Cairo. Onderstaande tekst is een ingekorte versie van het voorwoord bij Mezzaterra : Fragments from the Common Ground, een verzameling essays gebundeld in 2004, waarin Soueif gepassioneerd het terrein dat Oost en West delen, verdedigt.
|