Freek Kallenberg
DE TOTALE ECONOMIE


24 uur per dag. 7 dagen per week. De economie staat nooit meer stil. De zondag die vroeger werd besteed aan de kerkgang het familiebezoek, de wandeling in het bos, het bezoeken van een sportevenement, of de bijeenkomst van de Vrije Gedachte, staat nu in het teken van een bezoek aan een meubelboulevard, tuincentrum, winkelstraat of een of andere winkelplaza. Velen moeten op zondag gewoon werken. Het is niet langer God, de Vrije Gedachte, maar de Economie die geëerd wordt. Tenminste zo lijkt het. Op het nachtkastje ligt nog maar zelden de bijbel, een gedichtenbundel of roman. Vaker een stapel reclamefolders of de Wehkampcatalogus.
Ik consumeer, dus ik ben, zo kunnen we Descartes parafraseren. Een goede baan met een hoog inkomen en carrière perspectieven, een auto van de zaak... het bepaalt in grote mate ons levensgeluk. Het motto van het Paarse kabinet: Werk, werk en nog eens werk is dan ook eerder een constatering dan een beleidsdoelstelling. De hedendaagse mens is altijd aan het werk. Als een Permanent Gemobiliseerde Consument is hij 24 uur per dag bezig met produceren of consumeren. Auto en zaktelelefoon bij de hand is deze post-moderne jager altijd opbliepbaar en overal inzetbaar.

Deze Permanent Gemobiliseerde Consument is het ideealtype van het neoliberale project waarin alles wat nog niet tot koopwaar was getransformeerd alsnog na een kortstondig onderzoek wordt onderworpen aan de tucht markt. Van tropisch oerwoud tot alternatieve geneeswijze, van oliebron tot onze genen, van computernetwerk tot de Grrrl-power van de Spice Girls, alle natuurlijke bronnen, elk stukje dagelijks leven, elke wens, elk verlangen, en zelfs elke verzet, wordt door trendwatchers en marketingdeskundigen 'ontdekt', toegeëigend en aan ons terugverkocht als produkt. Alles, maar dan ook werkelijk alles wordt in de economie getrokken. Dat kan ook niet anders omdat het kapitaal moet blijven groeien. Nadat de laatste vier eeuwen alle continenten zijn opengebroken en al het land, bossen, rivieren en oceanen werden gekoloniseerd en onderworpen aan de tucht van de markt, moesten er wel nieuwe 'gebieden' gevonden worden om te koloniseren. Middels biotechnologie en eugenetica wordt nu het gebied binnen in planten en binnen in lichamen van dieren en vrouwen gekoloniseerd. Ook deze worden zich door grote ondernemingen middels patenten toegeëigend, zodat ze kunnen worden verkocht op de markt. Blijkbaar is er helemaal niks meer 'heilig' voor marketingsdeskundigen en ondernemers.

Ik gebruik hier expres het woord 'heilig'. Heilig verwijst niet alleen naar iets waar je niet aan mag komen, maar ook naar iets dat boven alle twijfel verheven is. De opkomst van de totale economie heeft heel veel 'heilige' zaken geschonden; tegelijkertijd lijkt ze zelf boven alle twijfel verheven. Wat goed is voor ons is goed voor de economie, wat goed is voor de economie is goed voor ons. Het behoeft geen verdere uitleg, geen verklaring.
Voor vrijdenkers lijkt hier een nieuwe uitdaging te liggen. Vrij-denken was ooit denken zonder God, wellicht wordt het nu tijd om te denken zonder economie. Een denken dat niet in dienst staat van het nut, dat niet vertrekt vanuit schaartse. Een denken én leven dat zich baseert op verspilling en overvloed.
Maar laten we eerst de totale economie eens nader onderzoeken: Wat is eigenlijk economie? En hoe heeft ze zo totaal kunnen worden?

Economie is dat deel van het maatschappelijk leven waarin we in ons levensonderhoud voorzien. Omdat, zo leren de economieboeken ons, de middelen daartoe beperkt of onvoldoende beschikbaar zijn, wordt economie ook wel de leer van de schaarste genoemd. Tegenwoordig is bijna alles schaars. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het feit dat economen zich al lang niet meer alleen bezighouden met het vraagstuk van de produktie en verdeling van goederen. Welzijn, gezondheid, verzorging, verkeer, schoon water, schone lucht en zelfs vrije tijd zijn maar enkele voorbeelden uit een hele reeks van nieuwe onderzoeksgebieden. Blijkbaar zijn ook deze zaken nu schaars. En zoals elk schaars goed moeten ze georganiseerd, beheerd en verdeeld worden. Het liefst zo effiecient mogelijk. Maar, zo zou je je kunnen afvragen, is het niet vreemd dat ondanks de gigantische produktiecapaciteit van onze moderne economie, de schaarste zich steeds weer op nieuwe gebieden manifesteert? Is het niet vreemd dat de industriële en technologische revolutie het schaarstevraagstuk, ondanks de voortdurend herhaalde beloften, maar niet hebben kunnen oplossen? Is schaarste niet eerder het gevolg van de economie, dan iets wat daaraan vooraf gaat? Kan schaarste wel verondersteld worden?

Van de markteconomie kan zeker worden gezegd dat zij schaarste produceert. De markt is een bestel dat gebaseerd is op rechtstreekse ruil van individuele aanspraken of eigendomsrechten. Wanneer je iets verkoopt, verkoop je in essentie niet de zaak zelf, maar bepaalde rechten daarop. Je draagt het recht om die zaak te gebruiken, verbruiken of beheren over aan iemand anders. Wanneer je naar de bakker gaat krijg je door het betalen van geld recht op het verbruiken van het brood. En door het betalen van huur verwerf je het recht om een huis als woning te gebruiken. Wanneer je het koopt mag je het ook beheren en zelfs verbruiken.
Voordat iets verkocht kan worden, dienen de eigendomsrechten ondubbelzinnig vast te staan en exclusief te zijn. Dit laatste wil zeggen dat het mogelijk moet zijn anderen, wanneer zij bijvoorbeeld niet willen betalen, van het gebruik uit te sluiten. Doordat je anderen van het gebruik uitsluit, creëer je schaarste. De geschiedenis van het ontstaan van de markteconomie, is tegelijkertijd een onteigeningsgeschiedenis. Traditionele rechten moesten worden gebroken, ten gunste van het voor de markteconomie noodzakelijke exclusieve eigendom. Het verzet tegen de markteconomie beriep zich ook altijd op de traditionele rechten en gewoonten. Ook veel hedendaags verzet tegen de markteconomie beroept zich hierop. Zo kunnen boeren in India niet begrijpen dat het recht op de zaden van de Basmati-rijst nu in handen is gekomen van een Amerikaanse multinational. De zaden waren altijd vrij beschikbaar en overvloedig aanwezig. Nu zijn ze opeens eigendom van een onderneming en schaars en worden de boeren gedwongen ze voor veel geld te kopen.

Maar niet alleen natuurlijke hulpbronnen worden op deze manier schaars gemaakt. Ook veel kennis en vaardigheden werden in de loop der tijd exclusief eigendom van bepaalde professies en daardoor schaars. Medische kennis bijvoorbeeld is nu het exclusieve eigendom van gediplomeerde artsen. In Europa en de VS werd de geneeskunde in het begin van de negentiende eeuw nog uitgeoefend binnen de bestaande netwerken van vrouwen. Kennis en vaardigheden worden binnen deze netwerken doorgegeven. De geneeskunde is zo onderdeel van de bestaande gemeenschap, ze vormt geen apart beroep.
In de loop van de negentiende eeuw ontbrandt er tussen de opkomende professie van (mannelijke) artsen en de vrouwelijke genezers een strijd om het recht op genezen. De nieuwe artsen hebben qua kennis en vaardigheden in het begin minder te bieden dan hun vrouwelijke tegenhangers. Dit wordt ook niet betwist. De inzet van het conflict is de vercommercialisering van de geneeskunde: of zij al dan niet tot koopwaar gemaakt zal worden. De artsen hebben de strijd tenslotte gewonnen ondanks dat er in de VS een brede volksbeweging tegen deze economisering van de geneeskunde ontstond. De geneeskunde wordt in de negentiende eeuw een schaars goed. De benodigde kennis en hulpmiddelen circuleren niet langer binnen de gemeenschap, maar komen exclusief toe aan de gediplomeerde genezer. Hij kan 'zijn' geneeskunst als waar op de markt aanbieden. Het feit dat de moderne verzorgingsstaat iedereen de toegang tot deze waar garandeert, heeft aan de schaarste ervan geen einde gemaakt.

Deze 'economisering' heeft op bijna elk gebied van het leven plaatsgevonden en breidt zich elke dag verder uit. Allerlei activiteiten worden onttrokken aan gemeenschappen en sociale verbanden, en overgenomen door de bureaucratische instellingen van de markt of de staat. Zo worden ze getransformeerd tot 'voorzieningen', waarvoor men moet betalen om er gebruik van te kunnen maken. De uitoefening van deze activiteiten wordt alleen nog toevertrouwd aan 'professionals' die daarvoor een speciale opleiding krijgen. Het gevolg is dat veel van deze kennis gemonopoliseerd wordt. Daarmee wordt de kennis een economisch goed. Ook de gebruikte technieken, methoden en wetenschappen worden ontwikkeld door ingewijde experts en specialisten, met uitsluiting van leken. De hieruit voortkomende technologieën worden door patenten tot schaars kapitaal.
Door deze uitsluitingsmechanismen kunnen activiteiten zoals opvoeding, onderwijs, spreken, schrijven, genezen, hulpverlening, kinderoppas en wederzijdse hulp als 'dienst' op de markt worden verkocht of door de staat worden geleverd. Allemaal worden ze uit de bestaande netwerken gelicht en getransformeerd tot marktwaar of openbare voorziening. De samenleving wordt op deze manier geïndividualiseerd en mensen zijn binnen de min of meer geïsoleerde economische eenheden, de verschillende samenlevingsvormen, aangewezen op loonarbeid of een van de vervangingsinkomens (uitkeringen) om de benodigde goederen en diensten te kunnen kopen.

Werken en consumeren is in onze markteconomie dan ook geen vrijwillige optie; in feite kunnen we nauwelijks anders, omdat alle andere manieren om in ons levensonderhoud te voorzien stelselmatig zijn afgesneden. Ook in de loop der jaren gecreëerde alternatieven worden door de neo-liberale terreur om zeep geholpen. Coöperaties, de eigen-werkbeweging, zelfhulpgroepen, een voor een legden ze het loodje. Gelukkig zijn er nog altijd mensen die het blijven proberen (Rampenplan. Vakgroep, LETS), maar de meeste mensen lijken zich wel lekker te voelen als Permanent Gemobiliseerde Consument. We hebben ook nauwleijks een andere keus.
De situationist Raoul Vaneigem heeft al eens opgemerkt dat het tot de economie gereduceerde leven geen leven is, maar overleven: "De mens van het overleven is de mens van de angst voor het genot, van het onvoltooide, van de verminking", aldus Vaneigem. Daar zou je nog aan toe kunnen voegen dat de Permanent Gemobiliseerde Consument niet allen angst heeft voor het genot, maar overal bang voor is. Voor de onzekerheid (hij is dan ook van de wieg tot het graf 'verzekerd'), voor het onbekende, de vreemdeling die zijn 'schaarse' goederen of baantje komt afpakken, voor de ander die meer heeft en met wie hij of zij in voortdurende concurrentiestrijd is gewikkeld. De Permanent Gemobiliseerde Consument is en angstig mens, wiens leven ondanks de grote hoeveelheid consumptiegoederen wordt bepaald door een angst voor schaarste.

Zoals ik heb laten zien is het de markteconomie, die schaarste creëert. Schaarste is eerder een politieke uitvinding dan een 'natuurlijk' gegeven. Volgens de Franse filosoof Georges Bataille bijvoorbeeld wordt het leven op aarde eerder gekenmerkt door een excessieve overvloed van energie dan door schaarste. Die escessieve overvloed wordt ons vrij door de zon geschonken en overgebracht in het dagelijks leven van de mens. Het probleem van het leven is dan ook niet dat van de schaarste maar dat van de overvloed.
Organismen hebben in de loop der tijd manieren moeten ontwikkelen om deze overvloed, dit 'vervloekte deel', te verspillen en vernietigen. De mens ontwikkelde daartoe twee manieren. Het ene deel van de mensheid past haar levensstijl aan deze excessieve overvloed aan; het andere deel tracht de voorwaarden van de voortdurende overvloed te elimineren. De strijd tegen de natuur die door de westerse wereld met de opkomst van de moderne economieën in de zestiende eeuw werd ingezet - en tot op de dag van vandaag voortduurt- kan worden beschouwd als een lange poging dit laatste te verwezenlijken. Daarbij deinsde ze er niet voor terug de mensen die met deze overvloed verbonden waren te vernietigen. Iets waar ze nog steeds niet voor terugschikt: inheemse volkeren worden nog steeds met uitroeiing bedreigd.

Juist van deze samenlevingen zouden we het een en ander kunnen opsteken. In een samenleving die zich baseert op overvloed bestaat rijkdom als mogelijkheid het overschot op feestelijke wijze te consumeren en verspillen. Een voorbeeld vinden we in de 'potlach', een gebruik dat zich onder meer manifesteerde onder Amerikaanse en Canadese indianen: de gastheer schenkt op grote schaal goederen weg waardoor hij aanzien verwerft. De potlachontvanger is daarop verplicht binnen een bepaalde tijd een feest te organiseren waarin hij op zijn beurt zijn vrijgevigheid tentoonspreidt. Vanuit het standpunt van de moderne economie gezien is dit een bespottelijke traditie. Niet voor niets is de potlach in Canada verboden en tot een illegale economie verklaard. In onze door permanente schaarste gedomineerde maatschappij bestaat rijkdom - en de zin van het leven - uit de accumulatie van zoveel mogelijk goederen. In de traditionele gifteconomieën werd de eindeloze ontwikkeling van produktiekrachten niet alleen als onzinnig, maar tevens als verdoemd gekarakteriseerd. Verdoemd omdat ze tot onze ondergang zal leiden. De moderne economie - door Bataille de 'beperkte economie' genoemd - houdt immers geen rekening met de energie die zij wil vergaren en zal tenslotte aan haar eigen accumulatie ten gronde gaan. Hier wordt de meerwaarde niet publiekelijk verspild in een collectief festival van offering waaraan een ieder deelneemt - wellicht vormen de internationale oorlogen die wij met grote regelmaat voeren hierop een macabere uitzondering - maar toegeëigend door een kleine groep mensen. Deze opeengehoopte rijkdom of energie wordt ingezet voor een verdere ontwikkeling van de produktieve krachten. Dit resulteert in een nog grotere rijkdom, waardoor nieuwe accumulatie noodzakelijk wordt. Indien deze pogingen mislukken - wat ze tegenwoordig voortdurend doen - neemt de druk van het overschot toe waardoor het Spektakel barsten gaat vertonen. De solidariteit die nodig is om het economisch systeem te handhaven is vandaag ver te zoeken; er zijn nog slechts legers van politieagenten die de maatschappij bijeen moeten houden. De toenemende roep om orde en veiligheid is een onontkoombaar gevolg van deze ontwikkeling - evenals de steeds vaker opduikende massale vernietigingsacties van slechts op rellen en plunderen beluste jongeren, die de Amerikaanse publicist Neal Keating als hedendaagse varianten van de potlach toejuicht.

Wellicht is het geen toeval dat de opkomst van de moderne staat en de economie gepaard ging met het afschaffen van de vele feestdagen. Omstreeks de middeleeuwen bestond bijna eenderde van het jaar uit feestdagen. Deze feestdagen sloegen letterlijk gaten in de kalender - schrikkeldagen. De kalenderhervormingen hadden mogelijk tot doel de gaten in de kalender te sluiten; immers, in deze gaten had de vrijheid van het volk zich opgehoopt. Tegen deze achtergrond bezien heeft de Amerikaanse anarchist Hakim Bey geen ongelijk als hij stelt dat `Fight for your right to party!' geen parodie is op de radicale strijd, maar een nieuwe manifestatie daarvan.
De negentiende eeuwse sociaal-filosoof en anarchist Stephen Pearl Andrews gebruikte ooit als metafoor voor de anarchistische samenleving het feestmaal waarin iedere autoriteitsstructuur zich oplost in uitbundigheid en gefuif. Hakim Bey, die Andrews' visioen weer in herinnering bracht in zijn essay De Tijdelijke Autonome Zone, geeft de essentie van het feest alsvolgt weer: "Van aangezicht tot aangezicht voegt een groep mensen hun pogingen tot verwerkelijking van wederzijdse verlangens samen, of dat nu verlangens zijn naar lekker eten en plezier, naar dans, conversatie, de levenskunsten, misschien naar erotisch genot, of naar het creëren van een gemeenschappelijk kunstwerk, of naar het bereiken van de paradijselijke extase zelf."
Wat in deze beschrijving opvalt is de opvallende overeenkomst met het fenomeen van de economie. Want is het verwerkelijken van wederzijdse verlangens niet precies datgene dat wij van de economie (mogen) verwachten?

Het hanteren van de metafoor 'feestmaal' impliceert een mentaal-culturele breuk met het Verlichtingsproject. De gedachte aan het feestmaal is een kwalitatieve gedachte waar boekhouders en beleidmakers kippevel van krijgen: feesten, dansen, eten, vrijen, converseren, lachen, drinken, musiceren, zingen, huilen, spelen, dromen, fantaseren, trippen, beeldend vormgeven etc. zijn typerende aspecten die ons iets meedelen over de kwaliteit van het leven. Hoe vaker deze elementen ontbreken -economen nemen deze verspilling van energie immers niet op in hun concepten - hoe vaker we beseffen dat ons leven aan kwaliteistverlies onderhevig is. Onder invloed van de Verlichting, en in haar kielzog de moderne economie, is het leven ondergeschikt aan de kwantitatieve meetlat gemaakt.

Zoals zoveel -ismen zijn ook individualisme en anarchisme produkten van de Verlichting; al komen we heel wat romantische elementen in de filosofie van de vrijheid tegen. Onder invloed van Spinoza, Kant en Hegel ontdekte men in de vorige eeuw het (analytische) denken als een fantastisch instrument. Zo sprak een Nederlandse vrijdenker omstreeks 1850 jubelend: `Menszijn is denken, zonder het denken zou de heerlijke schepping Gods slechts een opgesmukte grafkuil zijn'. Het denken, rationalisme, wetenschap en kritiek bleken sinds de zeventiende eeuw instrumenten bij uitstek om de natuur te leren kennen, te beheersen en te exploiteren. Ook de eigen menselijke (driftmatige) natuur diende aan banden te worden gelegd. Juist anarchisten -denk onder meer aan Anton Constandse- specialiseerden zich in dit rationeel proces van zelfdisciplininering. Zo schreef een door Hegel beïnvloedde Nederlandse anarchist enige tijd terug nog in De Raaf: `De redelijke mens regeert (beteugelt) zichzelf van binnenuit...' Beteugeling en disciplinering zijn steeds sleutelwoorden in dit anarchistisch concept geweest.

De achterliggende gedachte was dat het niet lang meer zou duren of de wetenschap en de Rede zouden afrekenen met ieder irrationalisme en alle archaïsche tradities om het Grote Geluk binnen handbereik te brengen. Alles wat niet gewogen of gemeten kon worden werd als nutteloos gediskwalificeerd waardoor het kwantitatieve kon uitgroeien tot het ultieme ijkpunt van onze cultuur. Archaïsche elementen als verspilling (gift en offer), rituelen, extasen, shamanisme, natuurgeneeswijzen, gnosis en metafysische levensbeschouwingen werden weggehoond en vervangen door rationalistische concepten. Maar de daarmee gepaard gaande scheiding tussen mens en natuur, buitensluiting en vernietiging van de natuur, urbanisatie en industrialisatie, en de introductie van de consumptiesamenleving met haar anonieme hypermarkt heeft in brede kringen geleid tot een toenemende twijfel aan het stellige vertrouwen in de Vooruitgang dat de westerse wereld zo lang domineerde.

Vooral vanuit niet-westerse landen, waar men veel te leiden heeft van de westerse rede, komt veel kritiek. De Indiase ecofeministe Vandana Shiva, van oorsprong atoomgeleerde en dus grootgebracht met de westerse 'instrumentele' natuurvisie, werd zich door haar kennismaking met de Chipko-beweging in de Indiase Himalaya bewust van de beperkingen en gevaren hiervan.
Chipko is een Hindi woord, dat betekent: 'omarm de bomen'. Al eeuwen geleden gebruikten de bosbewoners dit geweldloze actiemiddel om het kappen van bomen, het vernietigen van het bos tegen te gaan. Sinds de jaren '50 is deze vooral door vrouwen geïnitieerde beweging in India zeer succesvol en heeft ze naast het kappen van bossen ook het winnen van kalksteen en de bouw van stuwdammen weten te verijdelen.
De leden van de berggemeenschappen zien de wereld als één geheel door energie geladen, door krachten bevolkt. In de bomen, in de rivieren, in het gras, in de velden ervaren zij bovenmenselijke krachten die ze Shakti noem of Prakriti: de godinnen van de schepping. De kennismaking en ervaring van deze krachten deden Shiva beseffen dat twee zaken waarvan we dachten dat ze overbodig waren in feite van levensbelang zijn: spiritualiteit en het heilige. Erkennen dat iets heilig is komt neer op het erkennen van grenzen. "Heilig betekent: overschrijdt deze grenzen niet. Het heilige woud is het woud dat zegt: "Kap mijn bomen niet." (...) " Het heilige zaad dat zegt: "Zet geen prijs op mij, ik ben een geschenk."
Dit betekent niet dat mensen de natuur niet mogen gebruiken. Het is ook geen keuze tussen mensen òf bomen, zoals ook binnen de radicale ecologiebeweging wel eens wordt gesuggereerd. Het gaat om de vraag waarvoor en hoe bomen worden gebruikt en door wie.

Voor de bosbewoners levert het bos compost voor de akkers, voer voor de dieren, middelen tegen plantenziekten, medicijnen, brandhout, klein timmerhout, noten, vruchten en allerlei 'groenten' die een prima aanvulling zijn op de gewassen die op de akkers geteeld worden. Bovendien absorberen de bossen het water van de moesonregens om deze vervolgens langzaam af te geven aan rivieren en bronnen. De bosbewoners zullen er dus alles aan doen het bos in stand te houden. Voor houtkapbedrijven levert het bos slechts hout voor de wereldmarkt, de rest is 'onkruid'. Het bos is na een keer 'gebruik' uitgeput, want ook alle herbeplantingsprogramma's geven de bosbewoners hun bos niet terug. Een gevarieerd, levend bos is meer dan een houtmijn.
De door de economie gedomineerde westerse technologische maatschappij ontkent de bioculturele diversiteit van het leven en legt verschillende culturen en ecosystemen monoculturen van planten en mensen op. Duizenden variteiten van allerlei gewassen, gedurende duizenden jaren ontwikkeld, zijn weggevaagd door de wereldwijde aanplant van Groen-Revolutie variteiten, die enorme hoeveelheden water en chemicaliën vereisen. Duizenden plaatselijke culturen met hun eigen betekenis en organisatievorm zijn weggevaagd door de westerse monocultuur.

Shiva's boodschap is in feite even eenvoudig als radicaal: respecteer en vooral geniet van de diversiteit van het leven van alle dag. Dit betekent dat aan de menselijke gulzigheid grenzen worden gesteld. Tegelijkertijd betekent het ook het vieren van de overvloed die aanwezig is. "Begrenzing en feestelijke beleving, dat zou een goede formulering zijn van wat ik bedoel met spiritualiteit.", aldus Shiva. Spriritualiteit is voor haar de kwaliteit van het leven zelf. Ze is gesitueerd in het leven van elke dag, in wat we doen en de dingen die ons omgeven. Juist doordat dit ons heilig dient te zijn, moet het ook regelmatig gevierd worden, in rituelen, dans en muziek.

In feite heeft de economie die nu 'heilig' verklaard is veel 'heiligs' geschonden en vernietigd: bossen, rivieren, de Aarde, lichamen, en nu zelfs onze genen. Het verzet van de indianen van Zuid Amerika tegen grootschalige goudwinning was gebaseerd op dit besef van heiligheid - goud was het stront van de goden. Daar diende je af te blijven. Voor sommige volkeren was zelfs de landbouw taboe, omdat je geen spade in moeder aarde mocht steken.

De Amerikaanse publicist Pieter Lamborn Wilson heeft al eens geopperd dat er in feite maar een grote breuk is geweest in het bestaan van de mensheid, en wel het moment dat men voor het eerst een spade in de grond stak om zelf iets te gaan verbouwen: zo'n 12 duizend jaar geleden. Dat lijkt veel, maar dit tijdperk van de landbouw waarin we in feite nog steeds leven, omvat maximaal 1% van de gehele menselijke geschiedenis. De daaraan voorafgaande 99% trok de mens al jagend en verzamelend over onze aardbol.
De landbouw is volgens hem de enige radicaal nieuwe technologie en het leidt geen twijfel dat deze technologie onvermijdelijk en vrij snel leidt naar sociale hiërarchieën, scheiding, klassestructuur, eigendom en religie zoals we die vandaag de dag kennen - een priesterklasse die iedereen vertelt wat te doen en hoe te denken. Landbouw leidt uiteindelijk naar autoritaire systemen en uiteindelijk naar de moderne staat, aldus Wilson.
Belangrijk voor mijn verhaal is dat uit antropologisch studies is gebleken dat de primitieve mens geen schaarste kende. In de jaren zestig ontdekte de antropoloog Sahlins dat de jager- verzamelaar samenlevingen die destijds nog bestonden, slechts 2 1 1/2 uur per dag werken om aan hun voedsel te geraken, terwijl de landbouwmaatschappijen er gemiddeld zestien uur over doen. Niet vreemd dus dat de Aboriginals of de !Kung Bosjesmannen (of San, zoals ze zich noemen) altijd weigerden landbouw te bedrijven. Een San antwoorde desgevraagd: "Waarom zouden we het land bewerken, met al die mongongonoten om ons heen?" Ja waarom, eigenlijk als het vooral meer werk oplevert. De amerikaanse anarchist Bob Black heeft dit eens vergeleken met een door technologische ontwikkeling gezegende Engelsman: in 1495 werkte deze gemiddeld 10 uur per week om in zijn levensbehoefte te voorzien, in 1546 al 20, in 1648, 48 en in 1726, 52 uur! Anno 1998 wordt 36 uur als een hele verworvenheid gezien. Het lijkt er dus op dat de beschaving, de technologische vooruitgang vooral een hoop werk op heeft geleverd.

De kritiek van Bataille, Shiva, Wilson, Black e.a suggereert dat ons leven er kwalitatief een stuk beter op wordt als we durven te breken met de economie, stoppen met werken en consumeren. In plaats van nut, noodzaak, productiviteit, schaarste en zekerheid zouden we moeten proberen te denken in termen van plezier, verspilling en onzekerheid. We zullen er de economie mee verliezen, en er een hoop mee winnen.

Freek Kallenberg

-----
De totale economie is de tekst van een lezing (14 juni 1998) voor Vrijdenkersvereniging De Vrije Gedachte regio Alkmaar. Met dank aan Freek Kallenberg en Robbert Schuster voor de tekst.
-----