KLIK terug naar het overzicht van de Berichten

Kampen aan de grenzen van Europa

tekst: Eric Boot
Oorspronkelijk verschenen in flexmens (2006).
Oorspronkelijke pagina HIER.
In dit filosofische essay analyseert Eric Boot de gebeurtenissen rond Ceuta en Melilla aan de hand van het werk van de Italiaanse rechtsfilosoof Giorgio Agamben. Die stelt dat situaties zoals die aan de grens van Ceuta en Melilla geen uitzondering zijn maar juist paradigmatisch voor de moderne rechtsstaat. We hoeven alleen maar te kijken naar de nieuwe anti-terrorisme wetgeving in Nederland, Frankrijk en overige Europese landen en de ontwikkelingen in de Nederlandse detentiepolitiek om de actualiteit hiervan te begrijpen.
Aan de grens

Begin herfst 2005. Beelden van grote aantallen migranten die proberen Europa in te komen door de hekken rondom de Spaanse enclaves Ceuta en Melilla te beklimmen. De beelden zijn wereldwijd te zien. De plotselinge media-aandacht suggereert dat het gaat om nieuwe ontwikkelingen of uitzonderingen, maar hetzelfde scenario speelt zich al jarenlang af. Sinds deze incidenten in het najaar van 2005 de voorpagina´s haalden, is het weer stil geworden rond dit onderwerp, wat bijdraagt aan de indruk dat het inderdaad allemaal maar een uitzondering was.

Waar ik in dit artikel naar wil kijken, is wat voor soort ruimten de grensgebieden rondom Ceuta en Melilla precies zijn. Wat kan er gezegd worden over een ruimte waarin elk geweld onbestraft blijft? Wat kunnen deze gebeurtenissen ons vertellen over de aard van het recht en de staat? Om deze vragen te beantwoorden, zal ik vooral gebruik maken van het boek Homo Sacer van de Italiaanse filosoof Giorgio Agamben.

De uitzondering

Zoals we in het artikel van Indymedia Estrecho hebben kunnen zien, worden Ceuta en Melilla gekenmerkt door een vrijwel gehele afwezigheid van recht. Deze afwezigheid van recht vormt een karakteristieke eigenschap van de uitzonderingstoestand, één van de belangrijkste termen in Agamben’s politieke analyse. Wat is de uitzonderingstoestand voor een verschijnsel? Volgens Agamben´s historische analyse werd de uitzonderingstoestand uitgeroepen op momenten wanneer er sprake was van een binnen- of buitenlandse dreiging die de staat potentieel schade zou kunnen toebrengen. Het hield vaak in dat de soevereine macht de grondwet tijdelijk (of in een bepaald geografisch gebied) buiten werking stelde; vanaf dat moment bevond men zich in een staat van oorlog. Het opmerkelijke aan de uitzonderingstoestand is dat alle grenzen vervagen die voorheen het alledaagse leven beheersten. Het onderscheid tussen wat simpelweg gebeurt (quaestio facti) en wat wettig of juist is (quaestio iuris), valt eveneens weg. De uitzonderingstoestand wordt gekenmerkt door een crisis van de publieke ruimte, van de polis, van politiek. Agamben legt uit: de Grieken hadden twee woorden om uit te drukken wat zij onder leven verstaan: het woord zoè drukt het simpele ´in leven zijn´ uit en is van toepassing op alle levende wezens (dieren, mensen, goden); het woord bios, echter, duidde de specifieke levenswijze van een individu of groep aan. We zouden ook kunnen zeggen dat bios het politieke leven van individuen of groepen aanduidt en dat zoè betrekking heeft op wat Agamben het naakte leven noemt. Het zoè had zijn plaats in de oîkos, het huis; het hoorde de politieke ruimte, waarin het bios zijn plaats had, niet te betreden. In de uitzonderingstoestand echter vervaagt dit onderscheid, wat tot gevolg heeft dat het zoè de politieke ruimte betreedt. Dit leidt tot de gevaarlijke situatie dat het naakte leven de inzet van de politiek gaat vormen. Het meest beruchte voorbeeld hiervan kan in Nazi-Duitsland gevonden worden: in de uitzonderingstoestand die deze periode karakteriseerde, was het naakte leven van de Joodse inwoners, hun zoè, de inzet van de politiek geworden; de oîkos was de polis volledig binnengedrongen. Wanneer vervolgens de uitzonderingstoestand met de regel samen dreigt te vallen, wanneer het onderscheid tussen uitzondering en regel eveneens verdwijnt, hebben we te maken met een ruimte die Agamben definieert als kamp: “(…) een stuk land dat buiten de normale rechtsorde is geplaatst maar er daarom nog niet simpelweg buiten ligt. Wat er is buitengesloten, is volgens de etymologische betekenis van het woord ex-ceptio “uit-genomen,” ingesloten via zijn eigen uitsluiting. Maar wat op die manier in de rechtsorde wordt ingelijfd, is vooral de uitzonderingstoestand zelf.” (1)

'Rechtsruimte'

Maar al is de uitzonderingstoestand een juridisch lege plek waarin alle grenzen vervagen (tussen buiten en binnen, uitzondering en regel, illegaal en legaal, quaestio facti en quaestio iuris, oîkos en polis), dat betekent niet dat de kampbewoner vrij is van iedere vorm van macht; integendeel, juist omdát hij uit de juridische sfeer verstoten is, wordt hij compleet ingesloten in de sfeer van de soevereine macht. Dit is wat Agamben een insluitende uitsluiting noemt. De hierboven geciteerde passage toont bovendien aan dat de uitzonderingstoestand zich niet buiten de juridische orde bevindt, maar er juist inherent aan is.

We kunnen de ruimte waarin de immigranten rond Ceuta en Melilla zich bevinden, in de bossen aan de rand van Europa, definiëren als een kamp. De illegale migrant wordt op geen enkele manier beschouwd als een burger, noch van Marokko, noch van Spanje. Zowel het aanspraak maken op de universele rechten van de mens, als de illegale deportatie van de migranten, doen dus alleen beroep op hun louter naakte leven. Dit vormt een duidelijk voorbeeld van het vervagen van het onderscheid tussen oîkos en polis, tussen zoè en bios, en is kenmerkend voor de crisis in de politiek (een crisis die volgens Agamben tekenend is voor de moderniteit). Wat de moderniteit van de antieke polis onderscheidt, is niet zozeer de integratie van het biologische leven in de sfeer van de politiek, maar veeleer het feit dat de moderne staat de nauwe band tussen soevereiniteit en het ´biopolitieke lichaam´ op een ongeëvenaarde manier aan het licht brengt.

Onbestemd

In moderne democratieën is meer dan ooit de uitzondering regel geworden, waarbij autoriteiten zich zelden op iets anders beroepen dan op een pragmatische ´noodzaak´. Het is precies om deze reden dat Agamben stelt dat het kamp ‘het verborgen paradigma van de moderne politieke ruimte’ is (2) (de uitzonderingstoestand die regel wordt, is één van de karakteristieken van deze ruimte). Het woord ‘kamp’ moet in dit geval echter niet te letterlijk worden genomen.

Wanneer men zegt dat de migranten rondom Ceuta en Melilla zich in een kamp bevinden (een ruimte waarin de uitzonderingstoestand regel is geworden, en waar de bewoners slechts als naakt leven aanwezig zijn, gegeven het feit dat iedere juridische of politieke status hen ontnomen is) refereert daarmee niet alleen aan een fysieke plek waarin deze mensen zich bevinden. De term ‘kamp’ is niet aan één plek gebonden; het volgt deze migranten waar zij ook naartoe gaan. Dus spreken over kampen betekent niet in de eerste plaats het aanduiden van een bepaalde fysieke plek, maar veeleer het inzichtelijk maken van een soort ´plek zonder plek´, een situatie kortom die aan geen plek in het bijzonder gebonden is. Dit heeft een aantal consequenties. Het betekent, onder andere, dat een kamp dat zich in Spanje, Nederland of Polen bevindt, zich eigenlijk niet in Spanje, Nederland of Polen bevindt. Het bevindt zich tegelijkertijd binnen en buiten de grenzen van de natiestaat. De geografie van de plek is niet duidelijk, of heeft geen juridische effecten zoals normaal het geval is. Daarom spreekt Agamben niet van plekken of plaatsen, maar van zones, of zones van onbestemdheid. De reden is om aan te tonen dat de mogelijkheid van het kamp ons het ware gezicht van de staat, het recht, en het oorspronkelijke geweld waaruit zij allebei ontspruiten, laat zien. Het punt is dat Agamben de term ‘kamp’ niet gebruikt om alleen naar een reëel bestaand kamp te verwijzen, maar veeleer om te laten zien dat de uitzonderingstoestand – die, eenmaal de regel geworden, het kamp kenmerkt – in feite aan de basis stond van de staat, aan de basis van alle wetten. Het kamp moet daarom niet als een anomalie beschouwd worden. Deze zones moeten we dus niet meer beschouwen als uitzonderingen, maar als kenmerkend voor de natiestaat en kenmerkend voor het recht als zodanig. De conclusie is dan ook dat, vanuit het perspectief van de staat gezien, het geweld dat tegen de mensen rond Ceuta en Melilla gepleegd is, niet een exces was. Er vond geen opheffing van het recht plaats; of liever, er vond een opheffing van het recht plaats, maar deze opheffing voltrok zich binnen het recht; die opheffing is immers altijd een mogelijkheid van het recht.

'Rule of law'

Het kamp is dus een altijd aanwezige mogelijkheid van het recht. Juist hierdoor vormen dergelijke kampen (denk ook aan Guantánamo Bay) een interessant onderzoeksterrein dat veel kan onthullen over de politiek van onze tijd. Ze onthullen bepaalde kenmerken van de staat en van het recht die normaal gesproken slechts latent aanwezig zijn. Agamben probeert te laten zien dat, willen wij ooit voorgoed van dit soort plekken verlost worden, we ons moeten realiseren dat het niet genoeg zal zijn om simpelweg de ‘rule of law’ in deze plaatsen te herstellen (de mogelijkheid dat er later een ander kamp ontstaat, blijft namelijk aanwezig). Het zal daarentegen nodig zijn ‘om de politieke ruimte van het Westen opnieuw te doordenken’. Hoe dit precies moet gebeuren, laat Agamben aan het einde van zijn boek Homo Sacer nog in het duister. Hij geeft echter wel een aanzet: “Iedere poging om de politieke ruimte van het Westen opnieuw te doordenken moet vertrekken vanuit het heldere besef dat we niets meer weten van het klassieke onderscheid tussen zoè en bios, privé-leven en politiek bestaan, tussen de mens als simpel levend wezen dat zijn plaats in het huis heeft en de mens als politiek subject met zijn plaats in de stad.”(3) Elke poging om de klassieke politieke categorieën te herstellen heeft daarom geen enkele zin: “Vanuit de kampen is er geen weg terug naar de klassieke politiek.”(4)

Agamben’s onderzoeksonderwerpen vormen eveneens een hint voor de manier waarop hij denkt dat de politieke ruimte van het Westen opnieuw doordacht moet worden. In het boek Means Without End formuleert hij het als volgt: “Genuinely political paradigms are sought in experiences and phenomena that usually are not considered political or that are considered only marginally so.”(5) Dit is ook het doel van Means Without End. Hij schenkt daarin bijvoorbeeld aandacht aan het natuurlijke leven van mensen (zoè), de uitzonderingstoestand, het concentratiekamp, de vluchteling, en taal. In Homo Sacer schenkt hij aandacht aan de neomorts, de comapatiënt en de faux vivant. Deze onderwerpen hebben stuk voor stuk de functie onze klassieke politieke categorieën aan de tand te voelen en een eerste stap te maken om aan die categorieën voorbij te gaan. We zouden bijvoorbeeld kunnen zeggen - en dit is relevant voor de analyse van Ceuta en Melilla - dat de figuur van de vluchteling door de natiestaat als zo’n verontrustend element wordt gezien, omdat ‘ze de directe band tussen mens en burger, tussen geboorte en nationaliteit verbreekt en daarmee de oerfictie van de moderne soevereiniteit in een crisis brengt.’(6)

De vluchteling die geen staat meer toebehoort en Europa binnen probeert te komen, de Spaanse en Marokkaanse veiligheidstroepen die hier zo gewelddadig tegen optreden: dit alles leert ons dat de figuur van de vluchteling een kritische functie kan vervullen ten opzichte van de dominante ideeën over natie en burgerschap.

----

Noten

1 Giorgio Agamben, Homo Sacer: De Soevereine Macht en het Naakte Leven, vert. Ineke van der Burg (Amsterdam, Boom, 2002), pp.181-182 (
terug).
2 Ibid., p.133 (terug).
3 Ibid., p.199 (terug).
4 Ibid. (terug)
5 Giorgio Agamben, Means Without End: Notes on Politics, tr. Vincenzo Binetti & Cesare Casarino (Minneapolis, University of Minnesota Press, 2000), p.ix. (terug)
6 Giorgio Agamben, Homo Sacer, p.142. (terug)