terug naar de berichten

Cameratoezicht: inzoomen op een actueel debat

tekst: Stefaan Pleysier en Hannelore Verzele
oorspronkelijk verschenen in De Morgen, 3 januari 2006
de tekst kan als PDF gedownload worden van de website
van het Expertisecentrum Maatschappelijke Veiligheid
Cameratoezicht is onmiskenbaar een hot issue; het onderwerp is, in navolging van onze buurlanden, de inzet van bij momenten hevige politiek-filosofisch discussies, zowel op het gemeentelijke niveau als in de Wetstraat. Wil dit sterk gepolariseerde debat echter uit de huidige impasse geraken, dan wordt het volgens Stefaan Pleysier en Hannelore Verzele het best geïnspireerd en gevoed vanuit een pragmatisch georiënteerd discours.

Het aantal gemeenten dat zijn toevlucht neemt tot het ophangen van camera’s in een strijd tegen onveiligheid en criminaliteit stijgt zienderogen. Gedwongen door deze realiteit staat het thema ook op de agenda in de Senaatscommissie Binnenlandse Zaken, waar op vraag van minister Patrick Dewael wordt gewerkt aan een kaderwet die de juridische leemte rond het cameratoezicht dient op te vullen.

De argumenten in dit heersende debat zijn ‘klassiek’ en genoegzaam gekend; tegenstanders van cameratoezicht schermen met het recht op privacy, voorstanders roepen de dwingende eis voor meer veiligheid in. Hoewel het precaire evenwicht tussen vrijheid en veiligheid in onze hedendaagse samenleving en huidige maatschappelijke context een absoluut te bewaken goed is, helpt het ons inzake cameratoezicht niet noodzakelijk veel verder. Integendeel, het debat verzandt en dreigt uit te monden in een dovemansgesprek. De discussie gaat in essentie immers niet zozeer over een schijnbaar eenvoudige keuze tussen ‘wel’ of ‘geen’ cameratoezicht; ook voorvechters van het cameratoezicht willen à la limite niet leven in een Orwelliaans 1984, net zomin als rabiate tegenstanders op geloofwaardige wijze onvoorwaardelijk aan het recht op privacy bij cameratoezicht in de openbare ruimte kunnen vasthouden. Zowel het fundamentele debat als elke concrete discussie over het invoeren van cameratoezicht op deze of gene plaats, heeft nood aan bruikbare en pragmatisch georiënteerde inzichten.

Cameratoezicht vraagt met andere woorden steeds een gegronde afweging, enerzijds gestuurd door een aantal algemene richtlijnen, en anderzijds gekleurd vanuit de eigenheid van de specifieke situatie waar men voorstaat. Wat buitenlandse evaluatiestudies duidelijk maken, is dat de roep om steeds meer camera’s niet zelden voorbarig is; men legitimeert de komst van de camera’s verwijzend naar doelstellingen en verwachtingen die vaak verregaand overschat worden. Cameratoezicht dient in oorsprong een tweeledig doel: uiteraard en in hoofdzaak wil men de objectieve onveiligheid - criminaliteit - en verstoringen van de openbare orde terugdringen. In tweede instantie verwacht men ook dat mensen zich door de aanwezigheid van camera’s veiliger gaan voelen; dit is de subjectieve onveiligheid. Geen van beide doelstellingen of verwachtingen zijn echter vanzelfsprekend.

Om te beginnen is de effectiviteit van cameratoezicht, althans wat de reductie van objectieve onveiligheid (criminaliteit en overlast) betreft, allesbehalve bewezen; na de introductie en plaatsing van de camera’s zal de geregistreerde criminaliteit in het cameragebied waarschijnlijk zelfs (licht) toenemen. Meer camera’s betekent meer toezicht en dus juist een hogere kans op het ‘zien’ van criminaliteit; onderzoek uit Nederland toont aan dat indien de camerabeelden live worden gescreend, de toename van de (geregistreerde) criminaliteit het grootst is. Met name bij uitgaanscriminaliteit en -overlast lijkt cameratoezicht weinig effect te sorteren; in groep en al dan niet onder invloed laat men zich niet meteen ophouden door de aanwezigheid van camera’s. Voor sommige vormen van criminaliteit ligt dit echter anders en kan men na verloop van tijd in het cameragebied wel degelijk een daling verwachten. Het is evenwel nog maar de vraag of dat niet gecompenseerd wordt door een toename daar waar de camera’s niet ‘kijken’; criminologen spreken dan over een verplaatsingseffect. Hoewel dit effectiviteit van een wel zeer kortzichtige soort is, blijft het voorkomen en terugdringen van de objectieve onveiligheid tot op heden nog steeds de voornaamste legitimatie bij het beleidsmatig doordrukken van cameratoezicht.

Evenmin vanzelfsprekend zijn zinvolle uitspraken met betrekking tot de invloed van het cameratoezicht op de subjectieve onveiligheid, het onveiligheidsgevoel zeg maar. Om te beginnen zijn de methodologische voorwaarden om veranderingen in het onveiligheidsgevoel op een geldige wijze aan het invoeren van cameratoezicht op te hangen, zelden aanwezig. Wanneer niettemin abstractie wordt gemaakt van de ambiguïteit die uit dit soort studies voortkomt, lijken zich grosso modo twee scenario’s af te spelen. Hierbij gaan we er uiteraard van uit dat er minimaal enige objectieve onveiligheid ‘dreigt’; is dit niet zo, dan verliest cameratoezicht - in essentie een criminaliteitsgeoriënteerde maatregel - sowieso elke legitimiteit.

Een eerste scenario vertrekt van een beginsituatie waarbij burgers zich, voorafgaand aan het cameratoezicht, en ondanks de objectieve onveiligheid, relatief veilig voelen. Hoewel deze mensen bij aanvang schijnbaar niet wakker lagen van het potentieel probleem dat tot cameratoezicht heeft geleid, kunnen de camera’s een positieve en productieve bezorgdheid stimuleren. Bij het zien van camera’s in een drukke winkelstraat, worden mensen aangezet om extra op hun hoede te zijn voor bijvoorbeeld zakkenrollers. Dit is evenwel een delicaat evenwicht waarbij men het risico loopt de indruk te creëren dat ‘hier wel een ernstig criminaliteitsprobleem moet zijn’. Cameratoezicht werkt dan contraproductief: het risico wordt overschat, en men gaat zich ‘onnodig’ zorgen gaan maken of angstig voelen. Hoe dan ook zal in dit scenario het onveiligheidsgevoel, of het nu onder de vorm van ‘bezorgdheid’ of ‘angst’ is, niet dalen maar eerder stijgen.

In het tweede scenario heerst in het projectgebied vóór de komst van de camera’s wel een gevoel van onveiligheid. Camera’s kunnen dit verminderen, maar enkel en alleen als het onveiligheidsgevoel op een of andere manier zijn oorzaak kent in de objectieve dreiging die men door het cameratoezicht wenst aan te pakken. Als dat niet het geval is en het gevoel van onveiligheid dus een andere voedingsbodem heeft - dikwijls is dit zo -, zal cameratoezicht niet de te verwachten gunstige evolutie op het onveiligheidsgevoel hebben.

Op basis van bovenstaande inzichten zijn we de mening toegedaan dat cameratoezicht minder effectief en efficiënt is bij het voorkomen en terugdringen van objectieve en subjectieve onveiligheid, dan de argumenten van het beleid gewoonlijk doen uitschijnen. Meer zelfs, verscheidene studies hebben uitgewezen dat cameratoezicht, hoewel gelegitimeerd en geïnstalleerd als preventieve maatregel, met name waardevol is bij het aanleveren van bewijslast voor de opsporing en veroordeling van verdachten. De terroristische aanslagen op 25 juli 2005 in de Londense metro zetten dit kracht bij; CCTV (Closed Circuit Television) toezicht kon absoluut niet beletten dat de aanslagen werden gepleegd, maar had desalniettemin waarde in het onderzoek naar de daders ervan.

De vraag die zich opdringt is of dit pleidooi - in essentie voor meer realisme in de verwachtingen ten aanzien van cameratoezicht - de verhoudingen in het kosten-batendebat herschikt. We zijn van mening van wel, temeer daar ook de kostenzijde dient te worden bijgesteld: cameratoezicht blijkt uit wetenschappelijk onderzoek een aanvullende (!) maatregel die de hierboven naar onderen bijgestelde doelstellingen enkel kan realiseren mits voldaan is aan een reeks cruciale voorwaarden: goede gebiedskeuze, goede kwaliteit van het beeldmateriaal, live uitkijken van camerabeelden, gekwalificeerde ‘uitlezers’, goede communicatie tussen alle betrokken actoren ... Deze elementen uit het debat weren, of verzaken aan een gedegen probleemanalyse, is niet alleen intellectueel oneerlijk, maar draagt ook het risico in zich dat de kosten voor het opstarten en onderhouden van cameratoezicht de baten verregaand overtreffen.

Stefaan Pleysier en Hannelore Verzele
zijn verbonden aan het Expertisecentrum Maatschappelijke Veiligheid. Ze zijn docent in de opleiding Bachelor in de Maatschappelijke Veiligheid, KATHO-IPSOC (Kortrijk).

Copyright van deze tekst berust bij De Morgen en bij de auteurs.