|
Technologie en misdaad
Over de opkomst van een protocollaire samenleving
tekst: Marc Schuilenburg
overgenomen van flexmens.org
originele pagina: hier
Vorig jaar ontstond er in Groot-Brittannië een plotselinge controverse over
´hoodies´, ofwel capuchons. Aanleiding was het verbod dat een winkelcentrum
instelde voor mensen die een hoodie dragen en daardoor onherkenbaar zijn
voor surveillancecamera´s. In dit essay van Marc Schuilenburg onderzoekt de
auteur hoe het veiligheidsdenken overgaat in een algemene poging tot
controle over de publieke ruimte. "De aartsvijand van de staat is de persoon
die niet geïdentificeerd kan worden, of ontbreekt in haar bestanden."
In de film Minority Report (2002) stuiten we op een vorm van
criminaliteitsbestrijding die een perfect beeld geeft van wat we de kern van
de huidige veiligheidspolitiek kunnen noemen. De film is gebaseerd op een
kort verhaal van de sciencefiction schrijver Philip K. Dick dat in 1956 werd
gepubliceerd in het magazine Fantastic Universe. In tegenstelling tot het
werk van veel van zijn collega’s in de jaren 1950 en 1960 kenmerken zijn
verhalen zich door een pessimistische toon en een diep wantrouwen tegen de
autoriteiten. Dick raakt bekend bij een groot publiek als zijn verhaal ‘Do
Androids Dream of Electric Sheep?’ (1968) door regisseur Ridley Scott wordt
verfilmd tot Blade Runner. Maar als schrijver van visionaire verhalen krijgt
hij definitieve erkenning door de film Minority Report van Steven Spielberg.
Het toneel van Minority Report vormt de stad Washington D.C. in het jaar
2054. Al zes jaar vinden daar geen moorden meer plaats. De politie pakt
moordenaars op voordat ze de misdaad hebben gepleegd. Ze maakt hiervoor
gebruik van drie ‘pre-cogs’ die over de bijzondere gave beschikken dat ze
toekomstige moorden kunnen zien. Tijdens hun ‘dromen’ produceren deze media
voorspellingen. Het resultaat [daar]van die voorspellingen zijn twee
glimmende houten balletjes waarin telkens een naam is gegraveerd: één van
het slachtoffer en één van de dader. Op het moment dat de balletjes
verschijnen, moeten de agenten van de PreCrime Unit verschillende
protocollen te volgen. Het belangrijkste protocol houdt in dat de namen van
het slachtoffer en de dader worden voorgelezen aan twee onafhankelijke
‘getuigen’ die alles op televisieschermen volgen: Chief Justice Frank
Pollard en de arts Katherine James. Zij controleren of de voorgelezen namen
dezelfde zijn als die op de twee ballen zijn gekerfd. Na hun goedkeuring
gaan de agenten op basis van de aanwijzingen van de ‘pre-cogs’ naar de
plaats van het delict om de moord te voorkomen.
Cruciaal in dit systeem van rechtshandhaving is de algemene veronderstelling
met betrekking tot het gedrag van de toekomstige daders. Die
veronderstelling is een uitdrukking van een mechanistische en lineaire
opvatting van hun handelen. De daders hebben namelijk geen andere
mogelijkheid dan het delict te plegen. De beelden van de voorspellingen van
de ‘pre-cogs’, die niet toevallig zijn vernoemd naar drie beroemde
misdaadauteurs Agatha Christie, Dashiell Hammett en Arthur Conan Doyle,
tonen dat de bewuste moord of gewelddadige overval al plaatsvindt, en in
feite onontkoombaar is. In filosofische termen duidt dat erop dat het
toekomstige gedrag van de daders vooraf ligt besloten in een nauwkeurig
bepaalde mogelijkheid die zich onontkoombaar zal verwerkelijken. In dat
mogelijke is hun gedrag al voorbestemd. Ik zou deze gedragsveronderstelling
als Aristotelisch willen bestempelen.
De dynamiek van de risicomaatschappij
In welk opzicht zijn de thema’s van Minority Report relevant voor een
analyse van de huidige criminaliteitsbestrijding? We hoeven dan alleen maar
te verwijzen naar vroegtijdige waarschuwingssystemen als automatische
detectie en patroonherkenningscamera’s die tot doel hebben de criminaliteit
in de openbare ruimte te [moeten] voorkomen. Geïnstrueerd door protocollen
identificeren zij [Ze identificeren] bepaalde personen al voordat zij een
delict hebben gepleegd als mogelijke daders. Minority Report komt dus
dichter in de buurt van onze dagelijkse werkelijkheid dan we aanvankelijk
dachten. Toch roept de film verschillende dilemma’s op. Hoe veroordeel je
een persoon voor een daad die hij niet heeft gepleegd? Hoe voorkom je dat er
onjuiste voorspellingen worden gedaan? Om hier een antwoord op te geven,
moeten we nader kijken naar de thematiek van de film. De sleutel tot de film
ligt in de relatie tussen politiek en leven.
De relatie tussen politiek en leven krijgt inhoud door een rechtshandhaving
die iedere vorm van criminaliteit wil voorkomen. De maatschappij die daarmee
samenhangt wordt een risicomaatschappij genoemd. Met dat begrip wordt de
kwetsbaarheid van de samenleving en de daarmee samenhangende behoefte aan
absolute veiligheid bedoeld. De term risicomaatschappij is afkomstig van de
Duitse socioloog Ulrich Beck. Hij stelt dat de technologische ontwikkeling
een dusdanige vlucht heeft genomen dat zij haar eigen risico’s niet meer kan
beheersen. Volgens Beck zullen sociale conflicten steeds minder gaan over de
verdeling van welvaart en steeds meer over de verdeling van risico’s. Hij
doelt daarbij op atomaire, chemische, ecologische en gentechnologische
risico’s waarvan niet is te achterhalen wie ze heeft ingesteld.
In de risicomaatschappij krijgen de pogingen om risico’s te reduceren of te
vermijden steeds verder de overhand. Naarmate de risico’s groter worden,
zullen ook de personen die deze risico’s met zich meebrengen het lijdende
onderwerp van aandacht worden. Op welke wijze kan de
criminaliteitsbestrijding die tot stand komt door technologieën als
automatische detectie en patroonherkenningscamera’s dan worden begrepen?
Anders gezegd, wat is de relatie tussen politiek en leven als het laatste
iets is dat vorm krijgt in de interactie met agressiedetectoren en
Computerised Face Recognition, die tot doel hebben alle handelingen van
personen te voorkomen die een bedreiging kunnen vormen voor de veiligheid in
de openbare ruimte?
De impasse van het veiligheidsdenken
Wat over ons heen hangt is een aura aan veiligheid die door informationele
technologieën ten uitvoer wordt gebracht. Sinds het begin van de jaren 1990
zijn in Engeland en de Verenigde Staten op grote schaal detectie en
patroonherkenningscamera’s geplaatst die niet alleen tot doel hebben het
gedrag van de individuen in de openbare ruimte te monitoren, maar ook worden
gebruikt om dat gedrag tot op grote hoogte te ‘besturen’. De
schaalvergroting van het gebruik van camera’s wordt voor het eerst duidelijk
in Engeland waar in de jaren 1990 systemen als Closed Circuit Television
(CCTV) gebieden als het metronet in Londen met een netwerk van duizenden
camera’s bedekken. Dit systeem maakt het mogelijk alle handelingen op de
stations in één oogopslag te overzien. CCTV wordt in 1998 opgevolgd door het
programma Mandrake. Dit nieuwe systeem koppelt gezichten aan databanken met
foto’s van recidivisten waardoor binnen zestig seconden 15 miljoen mensen
kunnen worden vergeleken. Deze systemen gaan steeds verder in hun
toepassing. Dit jaar treedt in Chicago een systeem in werking van camera’s
die de politie alarmeert als een persoon doelloos op straat rondjes loopt of
te lang rondhangt bij een openbaar gebouw. Slenteren met je vriendin is dan
definitief over [afgelopen]. (1)
De nieuwste automatische bewakingssystemen alarmeren private of publieke
veiligheidsinstanties op het moment dat bepaalde gezichten worden herkend of
als gezichtsuitdrukkingen erop wijzen dat gewelddadig gedrag zich dreigt te
manifesteren. De herkenning van gezichtsuitdrukkingen, en in dit geval het
verbinden van toekomstige handelingen aan deze expressies, is essentieel
voor het functioneren van deze media. Dit aspect zien we ook terug in
Minority Report. Nadat de namen van de dader en het slachtoffer bekend zijn,
moet hoofdpersoon John Anderton de losse beelden die door de hersenen van de
‘pre-cogs’ aan de computer worden doorgestuurd combineren om de plaats van
het delict op te sporen.
Om uit de veelheid van uitdrukkingen bepaalde handelingen af te leiden, is
de integratie van informatie dus van essentieel belang. In de praktijk zien
we dan ook dat belastingdiensten, ordehandhavers, supermarkten en
ziekenhuizen in toenemende mate gegevens uitwisselen om hun kennis over het
menselijk lichaam te vergroten. Als het ware wordt de menselijke samenhang
‘beheerd’ door dit identiteitsmanagement. Onze identiteit is dan niets meer
dan een actueel knooppunt van elkaar snijdende informatiestromen. Maar
vanuit het perspectief van de film is het belangrijker dat aan [deze
technologische toepassingen] een bepaald mensbeeld ten grondslag ligt.
Expressies van het gezicht, spraak en andere bewegingen van het lichaam zijn
indicatoren voor het gebruik van geweld of ander crimineel gedrag. In dat
mensbeeld is ons handelen causaal bepaald.
De protocollen van de risicosamenleving
Hoe zetten de technologieën van videosurveillance ons in beweging? In de
Verenigde Staten is identiteitsdiefstal één van de snelst groeiende vormen
van criminaliteit, die jaarlijks rond de 700.000 slachtoffers eist.
Veroorzaakt iedere vorm van controle zijn eigen verzet? In ieder geval
waarschuwen veel wetenschappers voor te positieve verwachtingen van de
resultaten van videosurveillance. Afgezien dat er meer analysecapaciteit
nodig is om alle informatie te beoordelen, blijft de technische haalbaarheid
van automatische gezichtsherkenning en de detectie van gewelddadig gedrag
nog op problemen stuiten. Hoewel specifieke kenmerken zoals de afstand
tussen de ogen, tussen oor en oog, en tussen ogen en mondhoeken zijn te
gebruiken voor gezichtsherkenning, zal door de vele variaties van onze
gezichtsuitdrukkingen en lichaamshoudingen de onmiddellijke relatie tussen
mogelijk en werkelijk gedrag nooit optimaal kunnen worden gelegd. Bovendien
is er te weinig onderzoek verricht om te concluderen dat het uitgeoefende
geweld afneemt door de invoering van camerabewaking.
Misschien moeten we wel als hypothese stellen dat met een afname van de
totale hoeveelheid geweld, de intensiteit van het uitgeoefende geweld
drastisch toeneemt omdat criminelen er alles voor over hebben om hun doel te
bereiken. Maar dat alles weerspreekt niet dat de technologische media in de
openbare ruimte al daadwerkelijk hun effecten hebben. De verklaring hiervoor
ligt in het normatieve karakter van de rechtshandhaving die steeds meer
steunt op technologische middelen als detectie en patroonherkenningscamera’
s. Niet omdat ze enkel zou verbieden, maar omdat deze technologieën een
nieuwe omgeving of milieu scheppen die een eigen logica of normaliteit
oproept. In die omgeving normaliseert het leven zich niet meer volgens
wetten of normen, maar door middel van protocollen. Hoe moeten we dat
begrijpen?
‘Besturen door veiligheid’: de vervanging van de wet en norm
In 2001 kreeg het bestuur van de stad Tampa in Florida de Big Brother Award
voor “Worst Public Official” uitgereikt. Tijdens de Super Bowl wedstrijd
tussen Baltimore en de New York Giants werden zoveel mogelijk gezichten van
de 71.921 toeschouwers gescand, opgeslagen en vergeleken met die van
criminelen, terroristen en fraudeurs in andere databestanden. In dat jaar
gebruikte het stadsbestuur dezelfde videosurveillance om de veiligheid in
het uitgaansgebied Ybor City te vergroten. Dat leidde niet alleen tot veel
opgestoken middelvingers, ook bedekten de bezoekers hun gezichten met
maskers, mutsen en capuchons. Dit in kaart brengen van onze
gezichtsuitdrukkingen geschiedt door universele standaards van
identificatie, vastgelegd in protocollen. Waar komen deze protocollen
vandaan?
Protocollen zijn geen nieuw verschijnsel. Ze hebben een lange geschiedenis
in instituten die diep zijn geworteld in onze samenleving, zoals het leger,
de diplomatie en de gezondheidszorg. Binnen die structuren hebben ze tot
taak correct gedrag te produceren binnen een systeem van vaste afspraken.
Het zijn codes die een bepaalde etiquette voorschrijven van hoe te handelen.
Op dit moment neemt het aantal protocollen drastisch toe. Vaak zonder dat
scholieren, medewerkers of personeel dat weten zijn op scholen, in
ziekenhuizen of ministeries protocollen van kracht die voorschrijven waar
het handelen en optreden van de werknemers en de studenten aan moet voldoen.
Pas met de verregaande doordringing van technologische media in ons bestaan
nemen protocollen pas werkelijk een grote vlucht. Het internet is daarvan
een prachtig voorbeeld, waar honderden protocollen het verkeer reguleren en
tegelijk mogelijk maken. Onzichtbare standaards accommoderen de relaties
tussen de verschillende personen die op het web actief zijn. Zonder
technische protocollen als TCP/IP (Transmission Control Protocol) en HTML
kan het internet niet als een globaal netwerk van informatiedeling en
communicatie werken. (2) Dat weerspreekt niet de
mogelijkheid dat gebruikers deze protocollen kunnen negeren. Vanuit de
noodzakelijke relatie tussen macht en verzet blijft dat altijd mogelijk.
Maar het niet volgen van de technische protocollen van het internet betekent
wel dat men niet meer kan mailen of surfen. Anders gezegd, dat je offline
bent. In dat opzicht definiëren protocollen niet alleen de grenzen van
nieuwe vormen van technologische media. Ze vervullen ook een sociale functie
van insluiting en uitsluiting.
Welke rol spelen protocollen in Minority Report? Niet alleen moet John
Anderton de namen van het slachtoffer en de dader voorlezen aan de twee
onafhankelijke ‘getuigen’, Hames en Pollard. Bij het combineren van de
digitale beelden van de voorspellende dromen van de ‘pre-cogs’ is hij ook
verplicht iedere tussencombinatie mondeling te registreren tegenover een
computer. We kunnen deze voorbeelden van strikte protocollen die tot een
bepaald gedrag leiden een draai geven door te verwijzen naar de interne
standaards die aan het netwerk van bewakingscamera’s in parkeergarages,
winkelcentra en op straten en pleinen ten grondslag liggen. Op een
vergelijkbare wijze als het internet besturen nauwkeurig omschreven
protocollen ook de informatiearchitectuur van bewakingscamera’s en
agressiedetectoren. Zonder een gedeeld protocol kan er geen relationeel
netwerk van videosurveillance bestaan. Daar installeren ze een horizontaal
systeem dat op vrijwillige basis zelfregulering tot stand brengt van de
personen die zich binnen het bereik van de camera ’s ophouden.
Een protocollaire levensstijl
De eenentwintigste eeuw wordt de eeuw van protocollen. Om de controlerende
functie van het protocol duidelijk te maken, moeten we realiseren dat
protocollen niet neutraal zijn. Ze zijn nauw verbonden met een politieke en
sociale productie van onze identiteit. Het protocol oefent een controle op
het leven uit door universaliteit en homogeniteit te eisen van de personen
die zich ophouden in de openbare ruimte. Anders gezegd, protocollen sluiten
verschillen uit. Het gevolg is een verstarring van de onderlinge
verhoudingen. De effecten van het gebruik van bewakingstechnieken als
videosurveillance zijn daarom veel ingrijpender dan we ons aanvankelijk
realiseren. In de openbare ruimte vervangen ze namelijk de wet en norm als
controlerend instrument.
Eén van de grote vernieuwingen die deze machtstechniek meebrengt is dat ze
de organisatiewijze van het openbare leven tot op het kleinste detail
‘bestuurt’. Protocollen brengen een normaliteit mee gebonden aan onzichtbare
voorschriften. Ze vereisen een omgeving waarin het dragen van zonnebrillen,
honkbalcaps en hoofddoeken in de openbare ruimte wordt verboden. Daar liggen
geen wetten of normen aan ten grondslag, laat staan modieuze argumenten. De
reden? Automatische gezichts- en geluidsdetectiesystemen zoals Computerised
Face Recognition werken niet als onze gezichten bedekt zijn. Daarom verbood
een Engelse rechter in het kader van de Anti Social Behaviour Order een
bekende autodief om in het noordoosten van Engeland een wollen muts,
honkbalpet of capuchon te dragen. Op deze wijze wilde de rechter voorkomen
dat de man zijn gezicht afschermde voor de politie en bewakingscamera’s.
Criminaliteitsbestrijding wordt dus steeds meer uitgeoefend zonder een
duidelijk aangegeven taak of limiet. Ze wordt geïmplementeerd door
protocollen die het netwerk van videosurveillance vormen. Door een
omgekeerde beweging wordt de relatie tussen politiek en leven dan gesloten.
Het niet accepteren van een protocol heeft uitsluiting uit de openbare
ruimte tot gevolg. Maar wellicht zijn de gevolgen nog radicaler. We zouden
dan kunnen zeggen dat degenen die niet meer kunnen worden geïdentificeerd,
voor de wet strafbaar zijn. Niet voor niets wijst de Italiaanse filosoof
Giorgio Agamben erop dat de aartsvijand van de staat de persoon is die niet
identificeerbaar is. (3) De normale situatie wordt dan
omgedraaid. De crimineel is de persoon die niet in kaart kan worden gebracht
of ontbreekt in databestanden.
Het bestaan van minderheidsrapporten
In het geschetste veiligheidsdenken bestaat er dus geen wet of norm op de
nood. De noodtoestand valt samen met een politiek die de uitzondering
creëert door de verbreiding en toepassing van technologische media. Die
legitimeren zichzelf, omdat ze impliciet een beroep doen op een toestand die
zij zelf teweegbrengen. Is er een uitweg uit de impasse van deze
uitzonderingstoestand? Voor een laatste keer keren we terug naar de film
Minority Report. Het systeem van de drie paranormale media werkt feilloos,
totdat agent John Anderton zelf door de ‘pre-cogs’ als toekomstig moordenaar
wordt aangewezen. Als hij op onderzoek uitgaat, ontdekt hij dat de drie
media niet altijd dezelfde beelden voortbrengen. Er blijken
‘minderheidsrapporten’ te zijn die een andere toekomst laten zien. Hierin
wordt een ander perspectief getoond dan in de meerderheidsrapporten. Ze
wijzen op een afwijkende loop van gebeurtenissen. “We hebben nooit de
toekomst gezien. Je hebt een keuze,” vertelt ‘pre-cog’ Agatha aan John
Anderton. Herkennen we hierin een andere variant van dezelfde thematiek? De
film wekt de indruk dat we te doen hebben met een filosofie waarin het
worden een creatief proces van steeds nieuwe articulaties is. Daarin is de
toekomst niet vastgelegd, maar open en onbeslist.
Beschikt óók de huidige veiligheidspolitiek over minderheidsrapporten?
Anders gezegd, wat zou het geval zijn als er een minderheidsrapport is? Het
bestaan van zo’n rapport zou een perspectief kunnen bieden hoe we aan de
veiligheidspolitiek van het voorkomen van risico’s kunnen ontsnappen. In
veel opzichten doet een minderheidsrapport denken aan het proces van
differentiatie dat centraal staat in het werk van de Franse filosoof Gilles
Deleuze. In zijn ‘logica van het leven’ draait het om de verhouding tussen
het virtuele en het actuele. Het onderscheid tussen het virtuele en het
actuele moet niet worden verward met de overgang van het mogelijke naar het
werkelijke die ten grondslag ligt aan de machtswerkingen van
videosurveillance. In tegenstelling tot het mogelijke is het virtuele al
werkelijk. (4) Daarmee is het virtuele niet iets dat vooraf
is gegeven. Dan zou virtueel de plaats van het begrip mogelijkheid innemen.
Virtualiteit en actualiteit zijn twee kanten van dezelfde medaille.
In de relatie tussen het virtuele en het actuele ligt voor Deleuze de
mogelijkheid tot creativiteit en een ‘ander’ leven. Het is de eventualiteit
ervan die zich manifesteert in de openheid van de interacties met andere
personen, en niet als onontkoombare verwerkelijking van een gegeven
mogelijkheid. Als Deleuze de waarde van dat ‘andere’ leven wil aangeven,
sluit hij dus het mechanistische wereldbeeld en de daarbij behorende
‘criminologie van de Ander’ van het hedendaagse veiligheidsdenken uit.
Tegenover de homogene en dwingende werkingen van protocollen kunnen we dan
openheid en creativiteit plaatsen. Wellicht biedt dit perspectief het
huidige veiligheidsdenken een kans om in positieve termen over de sociale
interacties in de openbare ruimte te denken. Want om de
criminaliteitsproblematiek daadwerkelijk het hoofd te bieden is de
structurele inbedding van technologie in de rechtshandhaving ontoereikend.
Noten:
(1) Zie ook M.B. Schuilenburg, ´De noodtoestand als regel.
Cyberkritische reflecties over de openbare ruimte´, in: Justitiële
Verkenningen, jrg. 30, nr. 8, 2004, p. 9-21.
(2) A. Galloway, ‘Protocol. How Control Exist after
Decentralisation’, The MIT Press, Massachusetts, 2004.
(3) G. Agamben, The Coming Community, The University of
Minnesota Press, Minneapolis, 2003, p. 87.
(4) G. Deleuze, Difference and Repetition, London, The Athlone
Press, 1994, p. 95.
|