- DE HAVE-NOTS: ANDERS GAAN VERLANGEN
‘In de huidige maatschappij bestaat het probleem erin - zoals de volgelingen van Gilles Deleuze dat noemen - hoe anders te gaan verlangen. In de buitenwijken van de grote steden is het effect van het verlangen veel tastbaarder dan de muur waar we tegenover staan. In de voorsteden verlangen de mensen allemaal datgene wat het systeem hen zegt dat ze moeten verlangen. Dat is de volledige vervreemding. Terwijl de echte vraag erin bestaat hoe anders te verlangen.
‘Hoe kun je het openbaar vervoer veel wenselijker vinden dan een Porsche? Hoe kun je een gemeentelijk zwembad veel wenselijker vinden dan een privézwembad? Dat is uiteraard een moeilijke kwestie, want het gemeentelijk zwembad en het openbaar vervoer worden minder gewenst. Anders verlangen, dat houdt dus in dat je je uit je isolement losmaakt. In de buitenwijken, in oorden van grote sociale ellende, komt het erop aan dat we stoppen met klagen, want wanneer men niet ophoudt met klagen, blijft men verlangen zoals de heersers dat willen. We moeten het denken en het verlangen uit hun isolement bevrijden, opdat er iets tastbaars zal mogelijk zijn.
‘Bij vele landbezettingen zie je mensen die zeggen “we zijn daarmee begonnen om te kunnen overleven, maar uiteindelijk hebben we er een beter leven in gevonden”, en voor niets ter wereld willen ze naar hun kleinburgerlijk leventje terugkeren. Want ze hebben ervaren dat er zich iets losgemaakt heeft van de vervreemding.’
(Miguel Benasayag, april 2003, in het tijdschrift Le Passant Ordinaire.)
***
Onder impuls van Miguel Benasayag heeft een klein groepje activisten en journalisten de volgende tekst opgesteld, met de bedoeling dat de have-nots niet langer meer als vijfde wiel aan de wagen van de andersglobaliseringsbeweging zouden beschouwd worden.
***
De structurele crisis die wij momenteel beleven, hoewel verschillend in de landen van het Noorden en in die van het Zuiden, heeft overal dezelfde betekenis: het is redelijkerwijze niet langer mogelijk te geloven in het ontwikkelingsmodel dat de landen van het Noorden aan die van het Zuiden willen opleggen. Men wordt er zich momenteel van bewust dat dit productivistisch model niet kan veralgemeend worden en zelfs niet leefbaar is. Het werkt niet. De huidige maatschappijen - die welvaarteilandjes van het ‘Noorden’ in het Zuiden hebben, en armoede-eilandjes van het ‘Zuiden’ in het Noorden - werken via uitsluiting. Zij kunnen zich niet de luxe veroorloven iedereen in hun heersende consumptiemodel ‘in te sluiten’. Zij kunnen het uitsluiten niet laten: het zijn maatschappijen die menen zich van een last te moeten bevrijden.
Tegenwoordig ontwikkelt men een sociologie van de ‘uitgeslotenen’, van de have-nots: van mensen zonder papieren, zonder werk, zonder dak boven het hoofd, zonder toegang tot gezondheidszorg, tot onderwijs, tot cultuur, zonder het recht anders te zijn (bv. de gehandicapten)... Al diegenen die ‘niet hebben’, d.w.z. miljoenen en miljoenen menselijke wezens - omdat de helft van de mensheid met minder dan twee dollar per dag moet toekomen - worden dus niet gedefinieerd naar hetgeen zij zijn, maar naar hetgeen zij niet hebben, naar hetgeen zij niet zijn. Geleidelijk aan wordt degene die niet heeft ook iemand die niet is: hij is hetgeen hij niet heeft, wat suggereert dat de ontbering hem tot een lager menselijk wezen maakt. Door een eigenaardig trucje wordt dit de essentie van zijn wezen, zijn definitie. Dat leidt naar een maatschappij van de etikettering, waarin het etiket de mens overschaduwt. Zijn is hebben. Wij vertrekken vanuit een fundamenteel principe: in onze maatschappij bestaan er geen uitgeslotenen; iedereen is ingesloten, maar op verschillend niveau. Iemand die behoeftig is, iemand waar het slecht mee gaat, die geen rechten heeft, is niet uitgesloten: hij bekleedt de plaats die hem toegewezen wordt in een onrechtvaardige maatschappij.
Niet enkel worden de have-nots niet uitgesloten, zij vormen het element waarop de huidige maatschappij gebaseerd is, want zij worden geïdentificeerd als een bron van onveiligheid. Zij vormen het bindmiddel van een maatschappij zonder bindmiddel. Doordat zij geen toegang hebben tot gezondheidszorg, bedreigen zij de belangen van de welstellenden en van het gezondheidssysteem; als krakers of als landloze boeren bedreigen zij de eigenaars; als mensen zonder papieren bedreigen zij de autochtonen; wanneer het hen aan elementaire dingen ontbreekt, bedreigen zij degenen die daar wel over beschikken; als mensen zonder werk bedreigen zij degenen die wel werk hebben en dienen ze als chantagemiddel om aan alle loonarbeiders de precarisering op te leggen. De maatschappelijke functie van de have-nots bestaat erin de onveiligheid te belichamen, de onveiligheid die absoluut noodzakelijk is om onze maatschappij van discipline en isolement in stand te houden. De have-nots leveren het beeld van iets wat men tot geen enkele prijs wil worden, hetgeen een dagelijkse barbaarsheid moet rechtvaardigen, de overweldiging van de buur, de aanvaarding van een maatschappijmodel dat heel de mensheid bedreigt. Onveiligheid isoleert de verschillende gezinnen van hetzelfde appartementsgebouw, de bewoners van hetzelfde land, isoleert de landen van elkaar... Zij is een overheersingsmodel dat zowel de macropolitiek als het individuele leven beïnvloedt. De term onveiligheid wordt op alles toegepast, behalve op de grote oorzaken van de reële onveiligheid. Overigens is het een illusie te denken dat men ‘ingesloten’ is, dat men ‘erbij’ hoort: de overgrote meerderheid van de ‘ingeslotenen’, zelfs van de hooggeplaatsten, leeft onder de dreiging van de uitsluiting. Insluiting en uitsluiting zijn twee kanten van één en dezelfde medaille, van de disciplinaire maatschappij. Het aanvaarden van het feit dat er uit- en ingeslotenen bestaan, betekent dat men de disciplinaire maatschappij accepteert.
De strijd van de have-nots heeft de afgelopen tien jaren de geesten beroerd, maar zij is in de ogen van de meeste mensen, en ook voor de belangrijkste betrokkenen, uitsluitend geworteld in de wanhoop en in de noodzaak van het overleven. Volgens onze hypothese is de strijd van de have-nots veeleer drager van iets positiefs en is het méér dan louter een beweging van een specifieke groep. Wij bevinden ons in een scharniermoment waarin de have-nots de strijd voor het loutere overleven overstijgen, zonder dat ze evenwel reeds nieuwe maatschappelijke subjecten vormen - d.w.z. zonder dat ze ophouden het voorwerp van sociologische studies te zijn, om zèlf subjecten te worden; zonder dat zij ophouden zich te laten bekijken, om zèlf de maatschappij te gaan bekijken, haar te bestuderen en haar te interpreteren. Iedereen is er zich van bewust dat de strijd van de krakers, van de landloze boeren, van de mensen zonder papieren, de onrechtvaardige wereldorde ter discussie stelt; en nochtans slagen hun protagonisten, die slecht vertegenwoordigd zijn in de internationale protestorganen, er nog niet in een veelheid van maatschappelijke subjecten te vormen. Zij zijn er zich niet van bewust dat ze het recht hebben maatschappelijk subject te zijn, en ze zijn in de ogen van de anderen, behalve de sympathie die ze oproepen, evenmin serieuze actoren, dragers van nieuwe vormen van gemeenschap en een betere wereld. De maatschappij en de maatschappelijke problemen zouden evenwel geanalyseerd moeten worden vanuit echte laboratoria, die vanuit de marge produceren wat vanuit het centrum niet kan gemaakt worden. Het kapitalisme heeft de handen vrij, en haar hegemonie berust op fundamenten die men niet kan reduceren tot een confrontatie tussen de smeerlappen en de goede zielen. De huidige realiteit, hoe onrechtvaardig en verwerpelijk zij ook is, heeft redenen te zijn zoals zij is, en we moeten proberen deze redenen te begrijpen. De verandering treedt niet op wanneer men zegt ‘er moet enkel...’, maar vereist daarentegen ernstig denkwerk. Dat werk kan enkel maar volbracht worden door de have-nots en hun vrienden.
Waarom kunnen de have-nots nieuwe maatschappelijke objecten worden? Omdat zij, op een gegeven moment, zich niet langer vastklampen aan de hoop. Dàt is het punt waar het om draait: wanneer men, plotseling, ook de hoop verliest - want volgens ons is de hoop slechts een mechanisme om het leven aan het heden te onttrekken. Men zou kunnen denken dat het zonder hoop nog erger is; maar het betekent daarentegen dat de mensen, door zich bewust te worden dat ze hun eigen kracht, hun eigen vrijheid moeten ontwikkelen, om nieuwe levensomstandigheden te creëren, daarmee iets ervaren dat de rest van de maatschappij ontbeert. In een wereld die overheerst wordt door de machteloosheid, door de onbekwaamheid om invloed op de toekomst uit te oefenen, verrichten de have-nots baanbrekend werk, en blijven zij niet steken op het niveau van het verlangen. Terwijl in het centrum miljoenen mensen op abstracte wijze de verandering verlangen, brengen zij, in de marges, alternatieve praktijken tot ontwikkeling. En dàt is van doorslaggevend belang.
Wij vertrekken inderdaad vanuit de hypothese dat, ondanks de ontwikkeling van een protestbeweging, voor het ogenblik, en misschien voor lange tijd, een verandering van maatschappijmodel, een verandering van hegemonie, onwaarschijnlijk is. Niets tekent zich af dat ons kan doen besluiten: de wereld gaat nieuwe fundamenten krijgen. Hoe sterk dat we deze verandering ook mogen wensen, dit zal niet volstaan om haar te realiseren. Er ligt geen revolutie in het verschiet, zelfs geen hervorming, omdat het model niet kan geëxporteerd worden en we altijd de ene groep moeten uitkleden om de andere te kunnen aankleden - indien deze laatste op z’n minst net zo wil gekleed worden als de andere. Hoe het ook zij, de vraag of een hegemonieverandering al dan niet mogelijk is, is niet ons probleem. De komst van een andere situatie verlangen, van een situatie die klaar en duidelijk de huidige zou vervangen, zou een illusie zijn en ons veroordelen tot de machteloosheid. Het enige wat we kunnen doen is andere praktijken tot ontwikkeling brengen.
In een tijd waarin er schaarste van water bestaat, waarin vijftig procent van de dier- en plantensoorten verdwijnen, waarin de ijspolen smelten, de atmosfeer opwarmt, waarin er voor duizenden jaren vervuiling veroorzaakt werd, bestaat het enige verzet, de enige subversie, erin anders te verlangen. Indien de mensen voortgaan met ‘s morgens op te staan - of om misschien helemaal niet op te staan - om dezelfde redenen dan dat zij vandaag dat doen, dan lopen we regelrecht de catastrofe tegemoet. Hoe anders verlangen? De have-nots hebben daar een antwoord op. Een meerderheid van hen verlangt nog steeds ‘erbij’ te mogen horen, verlangt dààr te mogen komen waar men zegt dat hun verlangen hen wil - en door dit feit blijven zij maatschappelijke objecten. Zij blijven op de plaats waar het systeem hen hebben wil. Zij blijven in de illusie dat zij uitgesloten zijn en dat zij ingesloten kunnen worden. Maar anderzijds kan men in Zuid-Amerika, in Italië, op bepaalde plaatsen in Frankrijk, vluchtlijnen ontwaren: sommige have-nots beginnen anders te verlangen. In plaats van zich vast te klampen aan de consumptiedroom, bouwen zij haarden van solidariteit. Overal ter wereld beginnen er, op frappante manier, mensen te zeggen: ‘Wij hebben middelen om te overleven gezocht, en we hebben een hogere levensvorm gevonden.’
Wij zijn ervan overtuigd dat er bij hen, op voorwaarde dat ze subjecten worden, een universele inhoud bestaat die op verregaande manier hun concrete eisen overstijgt. Een ander subversief element van hun strijd bestaat erin dat zij bewust aanvaarden van geen economisch nut te zijn, maar dat ze desondanks het recht op leven opeisen. In hun praktijken beroepen zij zich op de diepe menselijke natuur, die geen nut hoeft te hebben: de mens is geen productiemiddel. De opbrengst van het leven hoeft niet in een salaris uitgedrukt te worden.
Deze verklaring wil niets méér zijn dan een moment van reflectie tussen de have-nots, voor hen, en voor de maatschappij. Zij wil de reflectie naar buiten brengen, en beoogt geenszins een actiecomitée op te richten - zelfs niet noodzakelijkerwijs duurzame banden. Het gaat er zeker niet om bewegingen op gang te brengen of te dirigeren, of om te proberen een centraal orgaan in het leven te roepen, hetgeen catastrofaal zou zijn, maar enkel om bij bepaalde gelegenheden vluchtig samen te komen, om bepaalde gemeenschappelijke reflecties uit te wisselen en aan de multipliciteit door te geven. Samenkomen, en dan opnieuw uit elkaar gaan, om samen te komen met anderen, of om later opnieuw samen te komen: dat stelt ons in staat zowel de klip van de versnippering als die van de partijvorming te omzeilen.
- Vertaling: Johny Lenaerts
- overgenomen zonder toestemming
- Van Miguel Benasayag en Florence Aubenas verscheen recentelijk Verzet als scheppende kracht, Academia Press, Gent, 151 p., 7,40 Euro