Lieven De Cauter: De capsulaire beschaving; De stad in het tijdperk van het transcendentaal kapitalisme is in 1998 verschenen in het e-zine Oxumoron.

In Los Angeles wordt al jaren vooruitgelopen op (….) de capsulaire beschaving waar diverse experimenten met overkapte biotopen in Amerikaanse woestijnen op hebben gespeculeerd.
– Rene Boomkens

I

… far from being a ‘natural’ system, as some apologists have tried to argue, historical capitalism is a patently absurd one
– Immanuel Wallerstein

Het kapitalisme is vandaag de dag zo alomtegenwoordig dat het onzichtbaar wordt. Het is als water voor de vissen . Het feit dat het woord kapitalisme uit het publieke vertoog is verdwenen – wie het nog gebruikt laadt al snel een odium op zich, het is als een publiek geheim en dus een taboe – is niet alleen het zoveelste voorbeeld van een eufemisme-politiek (‘vrije markt-economie’ klinkt zoveel aantrekkelijker), maar wijst ook op een nieuwe fase in de ontwikkeling. Het kapitalisme van de New World Order is geen laat-kapitalisme (er is niets laattijdigs aan), maar een transcendentaal kapitalisme. Transcendentaal betekent hier: zonder tegenterm, allesomvattende mogelijkheids-voorwaarde, zowel naar betekenis als naar omvang het meest centrale begrip. Zonder tegenterm: er lijkt geen alternatief voor het kapitalisme. Geen reëel alternatief, zelfs geen denkbaar, hooguit een bijgestuurd kapitalisme is nog denkbaar. Maar juist een sociaal gecorrigeerd kapitalisme wordt door de mondialisering van het kapitaal uitgehold en afgebouwd . Allesomvattende mogelijkheidsvoorwaarde: men kan onze wereld niet meer begrijpen zonder te vertrekken van het kapitalisme. Niets is nog denkbaar zonder inbreng van kapitaal, niet eens cultuur. En daarom is het naar omvang en naar inhoud uiteindelijk het meest centrale begrip van onze wereld. Maar het transcendentale van het kapitalisme is ook altijd tegelijk schijn. De transcendentale schijn van het kapitalisme is, zoals van elk systeem, dat het natuurlijk, onvermijdelijk, noodzakelijk en oneindig is. Die schijn is, zeg maar sinds de val van de Berlijnse muur en de ineenstorting van het Oostblok, verhard tot tweede natuur. Nochtans is en blijft het kapitalisme een historisch systeem, dat omstreeks 1500 ontstond (vroegkapitalisme), in de negentiende eeuw zijn klassieke industriele vorm kreeg (hoogkapitalisme) en in de tweede helft van de twintigste eeuw zijn volledige ontplooiing vond. Het kan als volgt worden gedefinieerd: (a) het is een maatschappelijk systeem waarvan de inzet en de drijfveer de accumulatie van kapitaal is, een oneindige accumulatie als doel op zich; (b) er is een relatie van dominantie tussen een centrum en een periferie en (c) die dominantie is nu eens oorzaak, dan weer gevolg, en vaak beide tegelijk, van een ongelijke ruil die de ‘winst’, en dus de accumulatie, mogelijk maakt . Uit die binaire structuur van het kapitalisme volgt dat er nooit een ‘global village’ zal zijn. Altijd zal er een centrum en een periferie zijn, een binnen en een buiten. Op het moment dat de asymmetrie te klein wordt, moet de periferie verlegd worden (dat heet ‘delocatie’ aan productiezijde, of het ‘ontginnen van nieuwe markten’ aan distributiezijde). Op het moment echter dat de asymmetrie te groot wordt, kan het systeem wankelen. De erupties en sociale revolte uit het verleden bewijzen dat. Maar het transcendentaal kapitalisme schijnt metastabiel te zijn geworden: het wankelt niet meer, het is crisisrestistent. Het eerste gevolg van te grote ongelijkheid is een ruimtelijke ordening gericht op defensie van het binnen tegenover het buiten.

II

… the petrochemical age is basically anti-urban
– Richard Plunz

Het kapitalisme heeft de metropool voortgebracht, als machts-, handels-, productie- en distributiecentrum. Hoewel het geroep over het einde van de stad niet uit de lucht lijkt, is de metropool, gezien vanuit het oogpunt van een geschiedschrijving van de lange duur, erg jong. Rond het begin van de negentiende eeuw waren Parijs en Londen nog kleine steden. New York bestond nog niet. Los Angeles lag niet eens op de kaart. De geschiedenis van de moderne metropool zou men kunnen indelen in drie tijdperken: het stoomtijdperk, het petrochemisch tijdperk en het micro-elektronisch tijdperk (of emblematisch: de trein, de auto en het web). In het stoomtijdperk werd de stad grootstad. De eerste industriële revolutie maakt van Parijs en Londen metropolen. Omstreeks de jaren dertig doet zich volgens de urbanist Richard Plunz, een verschuiving voor in Amerika: terwijl tot dan toe het grootste deel van de bevolking in de steden woonde, werd nu een intensieve suburbanisering op gang gebracht. Volgens hem was de consumptiemaatschappij niet mogelijk zonder suburbanisering en desurbanisatie . “Iedereen zijn eigen auto” (de slogan van Henry Ford) heeft weinig slagkracht voor een stedelijke bevolking. De tegelijk massale en geïndividualiseerde consumptie vooronderstelde een bewuste desurbanisatie (het huis als comfortsmachine, de Mall als drive in distributie). Plunz spreekt van een complot tegen de stad. Een analoge suburbanisatie heeft zich voorgedaan in Europa, zij het minder extreem. Men kan echter niet ontkennen dat ook hier de oude metropolen op een zeer concrete manier veranderen. In zijn overgang van het industriële naar het postindustriële, van het petrochemische naar het micro-elektronische tijdperk, wordt het (historische) centrum ofwel achtergelaten (als een restzone voor migranten en bohemiens) ofwel heruitgevonden voor dagsjesmensen, want ook de stedelingen worden toerist in eigen stad . Er zijn twee basismodellen: disneyficatie van het centrum met bronxificatie van de periferie (Parijs als voorbeeld), implosie van het centrum met uitspreiding van oneindige suburbs (L.A. als model). Elke stad wordt in zijn moeizame overgang naar het postindustriële tijdperk met beide keuzes tegelijk geconfronteerd. Het zijn niet eens keuzes maar vaak resultaten van het gebrek daaraan. Beide zijn misschien zelfs zijden van dezelfde medaille: beide berusten op afgeslotenheid. Zowel de toeristenzone als de achterbuurt kunnen, voorbij een bepaalde drempel, “no go areas” worden voor de meeste stadsbewoners. Het micro-electronische tijdperk zal de sub- en desurbanisatie die in het vorig tijdperk begon voltooien. Men kan overal wonen, als men maar aangesloten is op de netwerken. Zo ontstaat de a-geografische stad . De eindtoestand van de bewoonde wereld is een post-urbane zone. En dat geldt niet alleen voor Amerika en Zuid-Oost-Azië, maar het is wellicht ook de toekomst van Europa. De Benelux bijvoorbeeld is vanuit dit perspectief op weg om een post-urbane zone te worden, met pretparkachtige historische centra als overblijfselen van een vroeger tijdperk die functioneren als toeristische pleisterplekken in een generisch netwerk van verspreide bebouwing, snelwegen en glasvezelkabels. De nieuwe constellatie heet Cyburbia, de generische stad.

III

Het ‘eigene’ van het transcendentaal kapitalisme is het ‘generische’. Dit betekent dat elk product (van een Colaflesje tot een restaurant of een gebouw) zelf geen individu is, maar een instantie van een corporate identity, van zijn merk, van zijn soort. Het is daarom niet ‘specifiek’, maar ‘generisch’, letterlijk: soortelijk. Volgens Sorkin, die de term generic urbanism bedacht , en Koolhaas, die met de nog treffender term generic city op de proppen kwam, is ook de stad soortelijk aan het worden, “zoals luchthavens overal dezelfde”: zonder identiteit, zonder centrum, zonder geschiedenis . Koolhaas probeert, op de hem eigen half ironische, half cynische wijze, de bevrijdende mogelijkheden van die stad te zien. Het gaat echter om een netwerk-stad, een technologische stad en vooral om een stad die door en door geregeerd wordt door de logica van het kapitalisme. Of om het nog sterker uit te drukken: zonder het kapitalisme is het generische onbegrijpelijk. Het is geproduceerd door de esthetiek van de multuinationale ketens. De generische stad is de stad in het tijdperk van het transcendentaal kapitalisme. Global capitalism, corporate identity. De onstuitbare optocht van de ketens (winkelketens, hotelketens, fastfoodketens, restaurantketens, etc.) – dat is het generische. De macdonaldisering, de ‘Hilton-cultuur’. In zijn overgang van de industrieële naar de postindustriële fase ziet de stad zichzelf genoodzaakt zichzelf opnieuw te ensceneren, via geschiedenis, cultuur, couleur locale, toerisme. De vele projecten ontwikkeld voor waterfronts in steden, zijn symptomatisch voor die overgang. De generische stad is (daarover zijn Koolhaas en Sorkin het eens) een stad van simulaties: er wordt geschiedenis geenscenereed in heruitgevonden historische buurten. De dedramatisering van de ruimte in de post-urbane zone, door middel van urban sprawl en willekeurige, indifferente juxtapositie van snelwegen, behuizing en commerciële ‘noodarchitectuur’, en de hertheatralisering van stedelijke plekken in historische centra, horen samen. Maar daarnaast wordt er, vooral voor kantoorgebouwen en dergelijke, ook nog steeds (post)moderniteit gereproduceerd in serie. De stad als pretpark produceert zowel generische geschiedenis als generische moderniteit.

IV

The in transit condition is becoming univeral.
– Rem Koolhaas

Travel light, Travel Hugo…Life’s a yourney
– (slogan voor een jongerenparfum van Hugo Boss)

Het generische belichaamt de fantasmagorie van gewichtloosheid en beweeglijkheid in de artificiële paradijzen van de consumptie, waarin mensen een personal identity sampelen op basis van corporate material. Het is de fata morgana van het universele toerisme, de eeuwigdurende transit van hot spot naar hot spot. Alles verloopt naadloos en smooth door de ideologische gladheid van de sampling, het anything goes, de cool look van design en lifestyle magazines. Dat is het binnenaanzicht van ons maatschappelijk systeem: het warenfetisjisme (van Marx tot Benjamin en Adorno), de spektakelmaatschappij (Debord), de hyperrealiteit (Baudrillard), etc. Maar meer en meer dringt zich ook een blik van buitenaf op. Naast stijgende mobiliteit en consumptie is er het feit dat de wereld ook in stijgende mate duaal wordt. Is er een causaal verband tussen beide? Is de stijgende consumptie alleen vol te houden door een deel van de wereldbevolking af te stoten? In het zog van de neoliberale terugplooibeweging en van de afschaffing van de welvaartstaat wordt de tweedeling tussen rijk en arm, binnen en buiten strakker. De tweede, derde en vierde wereld moeten meer en meer op hardhandige wijze buiten de eerste wereld worden gehouden. Er is geen mobiliteitsmaatschappij denkbaar zonder alomtegen-woordige controle. Terwijl de disciplinaire maatschappij werkte op basis van interiorisering, werkt de controle maatschappij extern: via militarisering van de stedelijke ruimte . Maar de technologische apparaten, met hun zachte, bijna onzichtbare drempels volstaan niet. Het tegelijk archaïsche en hypermoderne ‘oerfeit’ van de architectuur en het urbanisme van de eenentwintigste eeuw zal de omheining zijn, de muur, de afsluiting, de gate, de fence, de burcht. Omdat een scheiding tussen de werelden nooit werkt, en de bevolkingen van de tweede, derde en vierde wereld uitzwermen en intussen overal zijn, is de eerste wereld geen homogeen imperium meer met relatief homogene steden, maar een archipel van burchten . Transport wordt meer en meer de transit tussen gecontroleerde en gesloten zones. Daarom is de generische stad vooral geobsedeerd door afscherming, veiligheid en controle . Men kan terecht spreken van “de cellulaire stad”, en zelfs van “de capsulaire beschaving”.

V

The capsule is cyborg architecture. Man, machine and space build a new organic body which transcends confrontation. (…) it creates an environment an itself. (…) A device which has become a living space in itself in the sense that man cannot hope to live elsewhere, is a capsule. And signs of such development are beginning to appear around us.
– Kisho Kurokawa, 1969

Capsule architecture is de architectuur van de generische stad. De capsule is een toestel dat een artificiële ambiente creëert, dat communicatie met ‘buiten’ minimaliseert door een eigen tijdruimte, een afgesloten (artificieel) ‘milieu’ te vormen. Alle transportmiddelen zijn, dat is de oorsprong van de metafoor, capsules: de trein, de auto, het vliegtuig, en uiteraard de ruimtecapsule. Dat zijn reële capsules. Maar er zijn virtuele capsules, zoals een scherm, een walkman en misschien is zelfs een boek een capsule. Het oeroude en het hypermoderne komen altijd weer samen. Er zijn macrocapsules, zoals gesloten gebouwen of gesloten zones, maar ook microcapsules zoals mobilofoons. Maar ook de architectuur en zelfs het urbanisme worden capsulair: de luchthaven, de mall, het themepark, de gated community. De alomtegenwoordigheid van de schermen (televisieschermen, computerschermen, maar ook de voorruiten van wagens werken, weten we van Virilio, als screens) maakt deel uit van de ‘capsulisering’. Men zou zover kunnen gaan te zeggen dat elk scherm zijn eigen (al dan niet virtuele) capsulaire tijdruimte creëert. De hype rond de mobiliteit, het netwerk, de grenzeloosheid, de smoothness, functioneert op basis van die capsules. Capsules zijn tegelijk ook simulatiemachines: zij genereren gesimuleerde openbaarheid. Het schoolvoorbeeld is de televisie. Voor de architectuur is het postmoderne atrium het prototype van capsulisering. Het is een binnenin gesimuleerde buitenruimte, een verzegelde piazza . De capsule schaft de openbaarheid af. Cocooning, de hypertrofie van de privesfeer, is een symptoom van capsulering. De meeste capsules zijn serieprodukten en dus wezenlijk generisch (zoals auto’s). Maar ook de capsule-architectuur tendeert naar het generische, of, wat soms nog erger is, naar een generische originaliteit (catchy images, design). De capsule heeft, naast al haar andere functies, een constant neveneffect dat haar politieke relevantie en efficiëntie garandeert: ze induceert, in de termen van Mcluhan, een specifiek soort verdoving (numbness). Capsule-architectuur is struisvogelpolitiek.

VI

In de capsule wordt het alledaagse opgezogen als in een vacuum cleaner: Over zijn ‘Universal City Walk’, een exotische maar afgesloten stadspromenade (aan het complex van Universal Film) met onder andere modellen van gebouwen die elders in L.A. echt te zien zouden zijn als men er heen kon, schreef ontwerper Jon Jerde: “The only things kept out of this simulation are are real poverty, crime and unplanned spontaneity” . Waar angst en fantasie samen artificiële biotopen construeren, wordt het dagelijkse opgezogen. Zowel “de ecologie van de angst” (militarisering) en van het geweld (door bronxificatie) enerzijds als “de ecologie van de fantasie” (disneyficatie) anderzijds, verdringen op zeer efficiënte manier het dagelijkse . Het dagelijkse is onbewust. Zodra een bepaalde nadrukkelijkheid ontstaat (door controle en/of door simulatie), verdwijnt het. Dat verklaart de onwezenlijke sfeer van malls, themaparken, luchthavens. En het werkt: geen unplanned spontaneity in Disneyland. Je ziet er nauwelijks vormen van uitbundigheid, alleen het geplande, kortstondig gejoel na de ride, dat dan weer heel snel verstomt in de eindeloze rijen van gedisciplineerde wachtenden. Die spontane blijdschap lijkt alleen te bestaan op de reclamespots. En in het gegesticuleer van de optochten van Disneyfiguren. Maar een parade is altijd gemodeleerd naar de militaire parade. Disneyland is evenzeer een disciplineringsmachine als een amusementsmachine . En alles, werkelijk alles is er generisch. Het pretpark (en ook de stad als themapark) is een gecontroleerde, gesloten, generische zone. Derhalve is het alledaagse wellicht geen uitweg, geen alternatief om de extremen van militarisering en disneyficatie te minimaliseren, en zo te normaliseren.

VII

“(…) nous devons nous attendre non seulement a de nouveaux camps, mais aussi a des definitions normatives de l’inscription de la vie dans la cite plus neuves et plus delirantes. Le camp qui est maintenant solidement installe en elle est le nouveau nomos biopolitique de la planete”
– Giorgio Agamben

Wanneer we de geschiedenis van de stad in vogelvlucht overschouwen, dan verschijnt eerst een burcht in een landschap. Wie in de burg(t) woonde, was burger. (Of anders gezegd: wie in de ‘bourg’ woonde, was bourgeois). De burgerlijke stad is echter snel, onder druk van de moderniteit (zeg maar onder druk van het kapitalisme met zijn industriele en demografische groei) uit haar voegen gebarsten, en dus uit haar muren. Het bolwerk werd boulevard. De heirbanen van de Romeinen werden terug opgevist en bijgestuurd tot wat weldra het netwerk van steenwegen en even later autosnelwegen, en nog later het Netwerk zonder meer zou worden. Maar het bolwerk bleef bestaan: de nationale grenzen. Omdat het kapitalisme beweert dat het niet goed functioneert met grenzen, heeft men steeds grotere gehelen zonder binnengrenzen gemaakt en men is die nog steeds aan het maken: de fameuze global village. Voorlopig blijft er echter een gigantische wal overeind. Hij is meestal onzichtbaar, en wij, burgers, hebben er geen last van. We kunnen ongehinderd vrij binnen en buiten (nu ja ongehinderd, na controle natuurlijk – de stadspoorten van vroeger zijn meer en meer vervangen door de gates van luchthavens). Maar de niet-burgers hebben er wel last van. Soms is de muur, de wal (wall) zichtbaar in al zijn obsceniteit: aan de grens tussen de Verenigde Staten en Mexico loopt een prikkeldraad, ook de Spaanse enclaves op Marokkaans grondgebied worden nu, op dit eigenste moment, met prikkeldraad afgezet. De New World Order heeft zijn eigen ijzeren gordijn: hij scheidt het Noorden van het Zuiden, Atlantic Megalocity van het onherbergzame buiten. Fortress Europe is geen beeldspraak: Europa is een burcht met muren en water errond. En die muur loopt in elk land van Europa door. In Belgie bijvoorbeeld is het de prikkeldraad rond Steenokkerzeel (het kamp heet 127bis). Wie zich aan de andere kant van de muur bevindt, heeft geen rechten, want er bestaan alleen “rechten van de mens en van de burger”. Er is geen de jure voor mensenrechten: de mensenrechten zijn geen wetten. Wie geen burger is (dus wie buiten de burcht woont), is in feite rechteloos. Dat wil zeggen: elke behandeling kan hem of haar te beurt vallen.

In het licht van de generische stad als stad zonder centrum, krijgt de uitspraak in CIAM’s ‘A Short outline of the core’ uit 1951 een profetische bijklank: “If new towns are built without a core they will never become more than camps” . Is de evacuatie van de publieke ruimte en de trance, de kalmte van de generische stad waarover Koolhaas spreekt, samen te denken met het kamp als paradigma? Volgens de Italiaanse filosoof Giogio Agamben kennelijk wel. Volgens hem vallen steeds meer mensen uit het statuut van het maatschappelijke leven (bios) in het statuut van het loutere leven (zoe). Dit loutere leven is vogelvrij. En dus rechteloos. Het wordt bestuurd volgens de kamplogica. Het kamp is geen gevangenis, geen legale instelling, maar een territorium buiten de wet, een enclave in en vooral buiten de maatschappij, een extra-territoriale instulping, waar geen wetten gelden. En waar derhalve alles kan gebeuren, zelfs het meest onvoorstelbare, niet zozeer wegens de menselijke wreedheid of de barbaarsheid van een ideologische indoctrinatie, maar door de juridische structuur van het kamp zelf. Ook transitzones zijn extraterritoriaal (en daarom taksvrij). ‘Gesloten opvangcentra voor azielzoekers’ zijn potentiele kampen. Maar ook getto’s en containment zones, zoals Skid Row in L.A., beginnen op kampen te lijken . Misschien heeft Agamben het, ondanks de schijn van schromelijke overdrijving, bij het rechte eind met zijn stelling: het concentratiekamp is het paradigma van de hedendaagse biopolitiek, niet de stad . Het expanderende vluchtelingenprobleem is op geopolitieke schaal het enige argument voor de aanname dat de in transit condition universeel wordt. De vraag waarvan Koolhaas vertrekt, moeten we wel degelijk ernstig nemen: hoe ziet de stad eruit die op een luchthaven begint te lijken? Wanneer men de luchthaven in zijn totaliteit neemt, dat wil zeggen niet alleen met zijn lobby’s en lounges, zijn cateringdiensten, cargofirma’s en touroperators, maar ook met de transitkampen die erbij horen, dan krijgt men het ware gezicht van de generische stad te zien.

VIII

“We do indeed now live in fortress cities brutally devided into ‘fortified cells’ of affluence and ‘places of terror’ where police batlle criminalized poor”.
– Mike Davis

De gated communities en de detentiekampen voor illegalen spiegelen elkaar. De tegenhanger van de burcht is het kamp. Het ene is een uitsluitingsmachine, het andere een insluitingsmachine. Zo verhouden zich ook de toeristenzone en het getto, de City walk en de containment zone. Of nog: geen mall zonder wall. De hype rond de ontgrenzing is schijn. Het world wide web, de mobiliteit en de communcatie-explosie is recht evenredig aan de capsularisering. Het ene is niet denkbaar zonder het andere. De fameuze globalisering is tegelijk een herterritorialisering. Het transcendentaal kapitalisme kan niet functioneren zonder kampen en capsules, omdat het nog steeds berust op de accumulatie van kapitaal op basis van een ongelijke ruil tussen centrum en periferie, en omdat die tegenstelling op dit ogenblik misschien scherper is dan ooit. Of duidelijker: onze maatschappij kan niet zonder prikkeldraad. Het nieuwe ijzeren gordijn in Ceuta en Melilla, mede gesubsidieerd door de Europese gemeenschap, bewijst het. Een krantenbericht van half augustus 1998: “Spanje wil zijn nieuwste verdedigingsgordel tegen de stormloop van Afrikaanse immigranten vervroegd in gebruik nemen. De grensversperring rond de enclavesteden Melilla en Ceuta op de Noordkust van Marokko, waarvan de bouw in maart begon, ‘moet reeds in oktober ondoordringbaar zijn’, bevestigden officiele woordvoerders woensdag. De dubbele gordel van staal en prikkeldraad bij Melilla, die nu al de bijnaam ‘Berlijnse Muur’ draagt, wordt over een lengte van 12 kilometer uitgerust met 70 camera’s; lichtmasten, sensoren en wachtposten. Bij Ceuta is er een soortgelijke muur in aanbouw (…) De Spaanse grenspolitie is zich bewust dat de nieuwe verdedigingsgordels er alleen toe zullen leiden dat de immigratie andere omwegen zal zoeken. (…) Dit is een grote inkomstenbron voor de Marokkaanse en Spaanse maffia’s, die hen voor 40 tot 80. 000 frank over de Straat van Gibraltar vervoeren in gammele bootjes. Regelmatig vergaan ze op zee (…) en spoelen er weer lijken van verdronken immigranten aan op de stranden. Zo zouden naar schatting dit jaar al bijna duizend illegalen de dood hebben gevonden.”

IX

Ooit zal een historicus uit de verre toekomst ons tijdperk behandelen als een van de obsceenste uit de wereldgeschiedenis: De capsulaire beschaving. Waarom? Omdat de stand van de technologie en de productie schrijnender dan ooit afsteekt tegen de systematische, nietsontziende uitsluiting van het grootste, steeds grotere deel van de mensheid. Het is een verpletterend besef. ‘We wisten het niet’, zullen we zeggen tot de historicus uit de toekomst, maar hij zal ons veroordelen.