Marius De Geus: De onttovering van het landschap. Landschap achter prikkeldraad is oorspronkelijk verschenen in het tijdschrift Ravage (#10, 19 juli 2002). De Geus schreef samen met Thomas van Slobbe het boek “De bevrijding van het landschap” (uitgeverij wAarde).

De onttovering van het landschap

Nederland is door de snelle ontwikkelingen in de landbouw en veeteelt veranderd in een rechtlijnig ingedeeld, versnipperd en afgemeten land. Kleinschalige landschapselementen als bosjes en waterpoelen zijn weggerationaliseerd ten gunste van onnatuurlijke barrières als hekken en prikkeldraad. Wat zijn de oorzaken van deze ingrijpende veranderingen? En wat zijn de gevolgen voor het landschap en het maatschappelijk leven?

Het is voor de moderne mens moeilijk voor te stellen dat tot aan de Middeleeuwen een groot deel van het land ‘gemeenschapsbezit’ was. Boeren en buitenlui hadden het recht om hun vee te laten grazen op de gemeenschappelijke weidegronden. Aan het begin van de zestiende eeuw kwam hieraan in bijvoorbeeld Engeland een einde toen rijke landheren besloten deze gemeenschappelijke gronden (the Commons) in bezit te nemen (de zgn. enclosures).

Landerijen die eeuwenlang gemeenschappelijk bezit waren geweest en die werden bewerkt door de plaatselijke bevolking kwamen nu in privébezit. De landeigenaren omheinden deze stukken land, en gebruikten de grond voornamelijk om schapen op te laten weiden, aangezien de wolprijzen hoog lagen. (Dit leidde er overigens toe dat de plaatselijke bewoners een belangrijke bron van voedsel en inkomsten kwijtraakten, vele families dakloos werden en tot de bedelstaf vervielen.)

Ook in landen als Duitsland, Frankrijk en Nederland ziet men door de eeuwen heen dat een steeds groter gedeelte van het gezamenlijke land door particuliere bezitters wordt ingenomen. Aan het einde van de negentiende eeuw was Nederland al voor het grootste deel afgepaald, ingedeeld en omheind, maar veelal met behulp van natuurlijke materialen zoals boomstronken, wilgentakken, struiken, stukken turf of steen.

Prikkeldraad

In ons land waren hout-, tuin- en aardewallen rond de eeuwwisseling de meest voorkomende afscheidingen. Pas na de uitvinding van het prikkeldraad (in Amerika, rond 1880) werden veel van deze eeuwenoude afgrenzingen afgebroken en vervangen. Het prikkeldraad werd rond de vorige eeuwwisseling in Europa geïntroduceerd en begon ook in ons land aan een ware zegetocht. In het begin werd het prikkeldraad vooral geleverd aan de overheid: het leger, het gevangeniswezen, enzovoort. Geleidelijk begonnen echter steeds meer landbouw- en veeteeltboeren belangstelling te krijgen voor prikkeldraadafscheidingen.

Daar komt bij dat rond 1920 in ons land de zogenaamde ‘ruilverkavelingen’ op gang kwamen. Vele waterlopen werden gekanaliseerd, ouderwetse landschapselementen als geriefbosjes, heggen, haggen en houtwallen werden gesloopt en het prikkeldraad kon beginnen aan een onstuitbare opmars. Door de schaalvergrotingen in de landbouw en veeteelt in de periode na 1950 veranderde het landschap in nog sterkere mate en werden nog meer prikkeldraadversperringen en stalen hekken geplaatst.

Sindsdien is het traditionele Nederlandse cultuurlandschap met zijn meanderende beken, kronkelige sloten, heuveltjes, bosschages, rijke plantengroei en ‘natuurlijke’ afscheidingen door de harde vereisten van de kapitalistische economie (rationele bedrijfsvoering, winstmaximalisatie, de wens tot schaalvergroting om te overleven) voor een groot deel verdwenen.

Gevangen

Het op grote schaal verwijderen van kleine landschapselementen als bosschages, vennen, bomen, heggen, hagen en houtwallen heeft geleid tot wat men de gevangenneming, geometrisering en onttovering van het landschap kan noemen.

Door de grootschalige toepassing van prikkeldraad en ijzeren afrasteringen is het Hollandse landschap feitelijk in verzekerde bewaring gesteld: weidevelden, landbouwgronden en natuurgebieden worden voortaan gevangengenomen en opgesloten binnen puntige omheiningen. Vaak wordt over het hoofd gezien dat niet alleen mensen en dieren, maar ook het landschap zélf door de nieuwe afschrikkende omheiningen van de vrijheid wordt beroofd. De waarde en eigenheid van het landschap worden op deze wijze drastisch aangetast.

Het massale gebruik van prikkeldraad duidt erop dat in onze tijd landschap en natuur alleen nog als een ‘middel’ worden gebruikt. Wie landschap en natuur op louter instrumentele wijze benadert, loopt echter het gevaar onverschillig te worden en geneigd te zijn minder zorg te besteden aan de belangen van de omringende levensvormen.

De inkapseling en internering van het landschap staan op gespannen voet met het idee dat de natuur niet alleen bestaat om te ‘gebruiken’ door de mens, maar een eigen betekenis heeft die los staat van de waarde die mensen er aan toekennen. Volgens de bekende Noorse ecofilosoof Arne Naess is het filosofisch legitiem om waarde toe te schrijven aan dieren, planten, landschappen en wildernis onafhankelijk van hun nut of waarde voor de mens. In zijn ogen is het zelfs een vorm van antropocentrisme om alle waarde aan de mens te relateren. Dit is filosofisch niet verdedigbaar.

In de theorie van Naess staat de intrinsieke waarde van de natuur op de voorgrond, variërend van menselijke en niet-menselijke levensvormen, zoals planten, dieren, tot aan rivieren, bergen én hele landschappen. Prikkeldraad en andere ‘harde’ afscheidingen tasten veelal de waarde en vrijheid van het landschap aan: het landschap lijkt veroordeeld tot gevangenisstraf en boetedoening, lijkt veroordeeld tot ‘opgesloten’ zijn.

Geometrisering

De vroeger veel voorkomende heggen, hagen en houtwallen buigen doorgaans met het landschap mee en volgen de grillige, vaak onvoorspelbare lijnen van de natuur. Het gebruik van kunstmatige afscheidingen zoals prikkeldraad stelt de mens in staat lijnrechte strepen door het landschap te trekken en toe te geven aan het ideaal een volkomen symmetrisch land te ontwerpen. Het landschap wordt voortaan welbewust gepland en omgevormd, vaak aan de hand van rechtlijnige en geometrische modellen.

Kaarsrechte lijnen, perfecte hoeken en wiskundige verhoudingen getuigen van een diep verlangen het landschap en de wereld naar de eigen hand te zetten: onvoorspelbaarheid maakt plaats voor het ideaal de natuur te beheersen, te overwinnen en zelfs te ‘verbeteren’. Niet wordt beseft dat landschappen primair gebaat zijn bij een ‘handen-af-benadering’ en het uitblijven van menselijk ingrijpen.

Het alom aanwezige verlangen profijt te hebben van de natuur maakt dat de ‘eenheid’ tussen mens en natuur wordt ontkend en min of meer gewelddadige vormen van overmeestering van het landschap worden toegestaan.

Onttovering

De teloorgang van kleine landschapselementen als bosjes, poelen, losstaande bomen en houtwallen in ons landschap kan in verband worden gebracht met de toenemende rationalisering van de Westerse maatschappij, zoals deze wordt beschreven door de bekende Duitse socioloog Max Weber (1864-1920). In onze contemporaine samenleving maakt de traditionele omgang met sociale relaties, organisaties en de natuurlijke leefomgeving steeds meer plaats voor het primaat van rationaliteit, beheersbaarheid en technische efficiency.

De technische eisen van het scheppen van orde en bestuurbaarheid brengen met zich mee dat geleidelijk afstand wordt genomen van oude levensvormen die niet puur zijn gericht op efficiency en functionaliteit. Landschappen met grote schoonheid en esthetische waarde worden hedentendage met een koel en zakelijk oog bekeken: Hoe kan men de grond zo productief mogelijk maken en zo rationeel mogelijk inzetten om winst te maken?

Aantrekkelijke landschappen die vanouds mensen wisten te ‘bekoren’, worden nu met prikkeldraad aan banden gelegd. Het Westerse idee van rede heeft gezorgd voor een maatschappij die welvarend is en bijna als een machine functioneert, maar waarin steeds meer landschappen ‘onttoverd’ raken, oftewel ontdaan van hun geheime, mysterieuze aantrekkingskracht, hun betoverende werking op de mens.

Maatschappelijk gezien heeft dit geleid tot een aanzienlijke verschraling van landschapsbeelden: de variëteit van landschappen is sterk onder druk komen te staan. De rijke diversiteit aan landschappen en vergezichten heeft plaats moeten maken voor monotonie en uniformiteit.

Wie nu door Nederland wandelt, fietst of autorijdt, wordt getroffen door een ongekende eenvormigheid van het landschap. Men hoeft helemaal geen cultuur- of natuurpessimist te zijn, om in te zien dat de steden en industrieterreinen met grote vaart oprukken en het landschap zijn wijdsheid en relatieve ongereptheid verliest. Gestandaardiseerde Gammaschuttingen, afrasteringen, geluidsschermen en prikkelversperringen domineren anno 2002 het beeld.

Onvermijdelijk

Een tweede maatschappelijk gevolg is dat de gevangenneming van mens, dier en landschap door al deze harde afscheidingen inmiddels door velen ‘gelaten’ wordt aanvaard. Men beschouwt deze ontwikkeling als onvermijdelijk en onontkoombaar. Kennelijk raken mensen gewend aan de nieuwe met prikkeldraad afgezette leefomgeving en valt de algemene ‘inhechtenisneming’ nauwelijks meer op.

Het lijkt erop dat een ‘prikkeldraad-ideologie’ is doorgedrongen tot het bewustzijn en de mentaliteit van de mensen. Men stoort zich nauwelijks aan de overal aanwezige prikkels en stekels en accepteert de in- en uitsluiting die er het gevolg van is als een ‘fact of life’. Het heersende waarden- en normenstelsel van de maatschappij (privé-eigendom is toegestaan, het afzetten van de eigen grond is legitiem, prikkeldraad is een aanvaardbaar instrument) bevordert deze acceptatie en voorkomt dat vraagtekens worden gezet bij wat door critici wordt gezien als de onaanvaardbare en onwenselijke ‘opsluiting’ van natuur en landschap.

Een derde maatschappelijke consequentie van de gevangenneming en opsluiting van de natuur in West-Europa is dat de liefde voor de natuurlijke omgeving, voor het landschap waarin men leeft en voor alles wat groeit en bloeit bijna onvermijdelijk aangetast raakt. De vele harde afscheidingen in het landschap zorgen voor lelijkheid, maar ook voor een andere ervaring van en omgang met de natuur.

Het wordt moeilijker een diepgaande waardering en liefde voor natuur en landschap te ervaren wanneer prikkeldraad of hoge en scherpgekante ijzeren hekken het algemene aanzien bederven. Het gevoel van respect kan eenvoudig verdwijnen en plaatsmaken voor een houding waarin de mens tracht natuur en landschap in toenemende mate te domineren.

Een laatste maatschappelijk gevolg is dat de vrijheid om te gaan en te staan waar men wil door al deze veranderingen vergaand wordt beperkt. Door de vele harde afscheidingen worden interessante plaatsen onbereikbaar en wordt men telkens gedwongen zich alleen op de al gebaande wegen te begeven. Spontane ontdekkingstochten worden een onmogelijkheid: men wordt geacht om braaf en gehoorzaam achter het prikkeldraad te blijven, waardoor de nieuwsgierigheid niet bevredigd kan worden. Prikkeldraad staat voor gedragsmanipulatie en het doelgericht ontnemen van initiatief.

Men kan zich afvragen wat dit betekent voor het algemene denken en handelen van de Westerse mens. Het lijkt mij evident dat de bewoners van ons land door al deze versperringen veel minder ‘bevrijd’ durven te denken en gewend zijn geraakt dagelijks in het maatschappelijke gareel te lopen. Hoe dit ook zij, de stelling is verdedigbaar dat prikkeldraad mensen ervan weerhoudt om zich ten volle te ontplooien en volledig van hun vrijheid te genieten.

Door de beschreven ontwikkelingen in de landbouw en veeteelt is het waardevolle Nederlandse cultuurlandschap de laatste jaren op desastreuze wijze aangetast. Het wordt hoog tijd voor intensieve politieke actie om de kleine landschapselementen die nog bestaan op een effectieve wijze te beschermen. Naar mijn idee dient consequent stelling genomen te worden tegen een maatschappij die niet alleen de individuen, maar ook het landschap in toenemende mate ‘gevangen’ heeft genomen. Het lijkt mij van groot belang een ideaal na te streven van een landschap dat vrij toegankelijk is voor iedereen, mensen én dieren.