Mike Davis: Beyond Blade Runner. The Ecology of Fear is oorspronkelijk verschenen in de Open Magazine Pamphlet Series, Open Media New Jersey in december 1992. De engelstalige versie is onder meer hier te downloaden. Deze vertaling is van de hand van P LA-B en overgenomen van Mediamatic.

Beyond Blade Runner. The Ecology of Fear

Iedere Amerikaanse stad heeft een eigen wapen en lijfspreuk. Een aantal steden houdt er een gemeentelijke mascotte op na, sommige hebben een eigen kleur of lied, een vogel, boom of steen zelfs. Maar los Angeles kent tegenwoordig als enige stad ook een officiële Nachtmerrie. Schrijver Mike Davis laat zien hoe deze nachtmerrie langzaam vorm aanneemt.

Na drie jaar discussie, overlegde een vooraanstaand gezelschap uit de civiele en zakelijke wereld in 1988 een gedetailleerd plan de campagne voor de toekomst van Zuid-Californië aan burgemeester Bradley. Het grootste gedeelte van dit LA 2000: A City for the Future verzandt in breedsprakige retoriek omtrent de onafwendbare opkomst van Los Angeles als ‘wereldcentrum’, maar in het nawoord bevindt zich een hoofdstuk waarin door historicus Kevin Starr de vraag gesteld wordt wat er zou kunnen gebeuren als de stad er niet in slaagt een nieuwe ‘heersende orde’ te creëren om haar immense etnische diversiteit in goede banen te leiden. Er is natuurlijk ook het model-Blade Runner: de versmelting van individuele culturen tot een platte veelzijdigheid, die evenwel blijft zinderen van de onopgeloste vijandelijkheden.

Blade Runner – LA’s eigen, dystopische schaduwzijde.

Een rondrit met de Grayline anno 2019: zure regen drupt van de kilometershoge neo-Maya-piramide van de Tyrell Corporation op de massa van bastaards die ver in de diepte in de Ginza krioelt. Terwijl een stem een buitenaards burgermansbestaan op de ‘Buitenwereld’ adverteert, drijven reusachtige neonreclames als wolken boven de stinkende en meer dan gewelddadige straten. En Deckard, de Philip Marlowe van na de apocalyps, die in een strijd verwikkeld raakt om zijn geweten – en zijn vrouw – te redden in dit door boosaardige biotechnologie-magnaten bestuurd stedelijk doolhof…

Nu Warner Bros., een paar maanden na LA’s oproer van 1992, de oorspronkelijke (en hardere) director’s cut heeft uitgebracht, blijkt de macht weer die Ridley Scotts filmversie (1982) van Philip K. Dicks Do Androids Dream of Electric Sheep? over onze immer onrustiger slaap uitoefent. Vrijwel iedere huidige schets van LA’s toekomst gaat ervan uit dat het duistere visioen van Blade Runner mogelijk, zo niet onvermijdelijk, het eindpunt van het land of sunshine zou kunnen zijn.

En toch blijft Blade Runner, glamoureuze ster van alle SF-dystopia’s, mij treffen als op een eigenaardige manier anachronistisch en verrassend onprofetisch. Het gezelschap Scott, `visueel futurist’ Syd Mead, production designer Lawrence Paul en art director David Synder, toont ons in feite weinig meer dan een onsamenhangende collage van denkbeeldige landschappen. Verwijder het laagje ‘Geel Gevaar’ (Scott is, zoals ook in Black Rain te zien is, bezeten door het idee van stedelijk Japan als evenbeeld van de Hel) en ‘Film Noir’ (het glanzend zwartmarmeren Déco-interieur), tezamen met een keur aan hi-tech renovatiewerkzaamheden, en overblijft het zeer herkenbare beeld van stedelijke wildgroei zoals ons door Fritz Lang al werd voorgespiegeld in diens Metropolis (1931).

Zowel de onheilspellende, door mensenhanden vervaardigde Everest van de Tyrell Corporation als de opgevoerde ruimte-patrouillewagens die door het luchtruim zoeven zijn, zij het ditmaal in verduisterde vorm, toch het onmiskenbare erfgoed van de beroemde wolkenkrabber-stad van de bourgeoisie uit Metropolis. Maar ook Lang zelf persifleerde slechts de Amerikaanse futuristen van zijn tijd, met name de toonaangevende architect Hugh Ferris die, samen met wolkenkrabber-ontwerper Raymond Hood en de Mexicaanse architect/archeoloog Francisco Mujica (die de stedelijke piramide à la Tyrell voorzag), het concept populariseerde van de toekomstige `Reuzenstad’ met haar wolkenkrabbers van honderd verdiepingen, hangende snelwegen en landingsplaatsen op de daken. Ferris en Co. op hun beurt, borduurden weer voort op reeds bestaande fantasieën – sinds het begin van de eeuw zeer in zwang als vulling van de zondagskrant – over het aangezicht van Manhattan aan het einde van de 20ste eeuw.

Met andere woorden, Blade Runner komt niet verder dan het geven van de volgende versie van dit centrale modernistische beeld – dystopisch, utopisch, ville radieuse of meta-New York City – van de metropool van de toekomst als een soort Monster-Manhattan. Een fantasie die nog het best ‘Wellsiaans’ genoemd kan worden, gezien H.G. Wells’ poging om, al in zijn The Future in America uit 1906, zich een beeld van de late twintigste eeuw te vormen door de overdrijving van het heden (in de gedaante van New York) tot een soort giganteske karikatuur van de bestaande wereld, waarbij alles tot enorme proporties wordt opgeblazen en een onwaarschijnlijke dichtheid verkrijgt.

Ridley Scott’s eigen ‘giganteske karikatuur’ slaagt er dan misschien in te wijzen op een aantal etnocentrische angsten omtrent een op hol geslagen veelslachtigheid, maar het lukt hem niet om tot een verbeeldingsvol gebruik te komen van het feitelijke landschap van Los Angeles – met name die enorme, ononderbroken vlaktes van verkrottende bungalows, bouwvallen en ranch-achtige gevaartes – zoals het, fysiek en sociaal, de 21ste eeuw in kwijnt.

In mijn boek City of Quartz heb ik de verschillende tendensen in de richting van een militarisering van dit landschap al opgesomd. De ontwikkelingen sinds de rellen van 1992 – waaronder een toenemende recessie en kapitaalvlucht, keiharde bezuinigingen, een duizelingwekkend aantal moorden (ondanks de wapenstilstand tussen de gangs) en de enorme vlucht die de wapenhandel neemt in de voorsteden – kunnen de acceleratie van de sociale tweedeling en ruimtelijke apartheid alleen maar bevestigen. Nu de Endless Summer zijn einde nadert, lijkt het volstrekt niet ondenkbaar dat het Los Angeles van het jaar 2019 een dystopische verhouding tot enig ideaal van de democratische stad zal hebben aangenomen.

Maar tot wat voor ‘stadsschap’, zoniet dat van Blade Runner, zal deze kwaadaardige ongelijkheidsevolutie dan wel leiden? In plaats van mij te beperken tot een grotesk, Wellsiaans toekomstbeeld – een uit zijn voegen gebarsten technologie en architectuur – heb ik zorgvuldig geprobeerd om al bestaande ruimtelijke tendensen te onderkennen, in de hoop een glimp op te kunnen vangen van het patroon waarin zij zich voordoen. William Gibson heeft in boeken als Neuromancer al op schitterende wijze aangetoond hoe een realistische, ‘extrapolatieve’ science-fiction vooruit kan lopen op een toekomstige sociale theorie en verzetspolitiek tegen het cyber-fascisme dat daagt aan de nieuwe horizon.

In de hierna volgende tekst heb ik geprobeerd een ‘Gibsoniaanse’ plattegrond te schetsen voor een toekomstig Los Angeles zoals het zich nu gedeeltelijk al aftekent. Hoewel geënt op een soort Marxisme-voor-cyberpunks, heeft de plattegrond zelf paradoxaal genoeg het meeste weg van de beroemde mengeling tussen halve maan en dartboard van Ernest W. Burgess van de University of Chicago – sinds lang het beroemdste schema uit de sociale wetenschappen.

Voor hen die minder bekend zijn met het werk van de sociologische school van Chicago en hun klassiek geworden studie van de Noordamerikaanse stad: kort samengevat vertegenwoordigt Burgess’ dartboard de vijf concentrische zones waarin de strijd om de survival of the fittest (zoals gezien door de Sociaal-Darwinisten) verondersteld wordt de stedelijke sociale klassen en typen huisvesting in te delen. Zij geeft een beeld weer van een ‘menselijke ecologie’ die bepaald wordt door de biologische krachten van invasie, competitie, successie en symbiose. Mijn herindeling van de stedelijke structuur voert Burgess back to the future. Zij gaat nog steeds uit van ‘ecologische’ determinanten zoals inkomen, grondprijs, klasse en ras, maar voegt daar een nieuwe, beslissende factor aan toe: de angst.

Scanscape

De huidige obsessie met persoonlijke veiligheid en sociale isolatie wordt slechts overtroffen door de angst van de middenklasse voor een progressieve belasting. Als antwoord op een werk- en dakloosheid die hun weerga sinds 1938 niet kennen, blijft onze tweepartijen-concensus vasthouden aan bezuinigingen op overheidsuitgaven en uitkeringen. In plaats van gemeenschapsgelden te investeren in oplossingen voor onderliggende sociale omstandigheden, zijn wij gedwongen steeds meer geld aan individuele veiligheidsmaatregelen uit te geven. Wat overblijft is een stadsherstel-retoriek waarvan de inhoud intussen ver te zoeken is. Rebuilding LA betekent niets meer dan de verdere isolatie van de bunker.

Terwijl als gevolg hiervan de stad steeds meer op een jungle begint te lijken, ontwikkelen de verschillende sociale milieus naar vermogen hun eigen beveiligingstechnologieën en -strategieën. Het resulterende patroon mondt, in navolging van Burgess’ dartboard, uit in concentrische zones, waarvan de roos in dit geval Downtown heet.

In een vorig essay beschreef ik al in detail hoe een geheim noodcomité, bestaande uit Downtowns leidinggevende grootgrondbezitters (het zogenaamde Committee of 25), in 1965 reageerde op de acute dreiging van de rellen in Watts. Na een waarschuwing van de autoriteiten dat de centrale stad door zwarten overspoeld dreigde te worden, legde het Comité zijn renovatieprojecten in de oude kantoor- en winkelkern stil. Vervolgens gebruikte men het onteigeningsrecht van de gemeente om, enkele blokken ten westen, hele wijken plat te walsen en hier een nieuwe zakenkern te creëren. Het gekelderde aandeel van het Comité in de oude zakenwijk werd door de gemeentelijke dienst stadsvernieuwing – inmiddels praktisch de privé-projectontwikkelaar van de groep –, opgevangen door het geven van enorme kortingen op panden in de nieuwe kern, die hiermee ver beneden de marktwaarde daalden.

Sleutel tot het succes van de hele strategie (destijds gevierd als de ‘renaissance’ van Downtown-LA) was de fysieke afscherming van de nieuwe kern en haar grondprijzen achter een verdedigingslinie van winstpalissades, betonnen pijlers en snelwegmuren. Traditionele voetgangersverbindingen tussen Bunker Hill en de oude kern werden verwijderd; het voetgangersverkeer in de nieuwe zakenwijk vond voortaan bóven de straat plaats, over viaducten waartoe de toegang gecontroleerd werd door de beveiligingssystemen van individuele wolkenkrabbers. Deze radicale privatisering van Downtowns openbare ruimte – met alle kwalijke, raciale bijklanken vandien – kon plaatsvinden zonder enige noemenswaardige openbare discussie of verzet.

Bovendien lijken de rellen van 1992 de ontwerpers van Fortress Downtown in hun vooruitziende blik alleen maar gelijk gegeven te hebben. Terwijl de ruiten van de oude zakenwijk rond Broadway en Spring Street sneuvelden, wist Bunker Hill zijn naam waar te maken. Met een druk op de toetsen van hun bedieningspanelen kon het beveiligingspersoneel van de grote banktorens iedere toegang tot hun kostbare percelen blokkeren. De benedenverdiepingen werden met kogelvrije stalen deuren afgesloten, roltrappen stonden abrupt stil en voetgangersverbindingen werden door elektronische sloten vergrendeld. Zoals in een artikel in de Los Angeles Business Journal al werd opgemerkt, heeft het relbeproefde succes van de afweersystemen van zakelijk Downtown de vraag naar nieuwe, geavanceerdere beveiligingssystemen alleen maar doen toenemen.

Op de eerste plaats wordt de scheidslijn tussen architectuur en ordehandhaving steeds vager. Het LA Police Department is een centrale rol gaan spelen in de verdere ontwikkeling van Downtown. Er kan geen groot project meer worden opgestart zonder hun betrokkenheid, en in sommige gevallen, zoals een discussie over toiletvoorzieningen in openbare parken en metrostations (waar ze tegen stemden), maken ze in alle openheid gebruik van hun vetorecht.

Ten tweede is de videobewaking van het gerenoveerde gedeelte van Downtown inmiddels uitgebreid tot parkeerplaatsen, privé-trottoirs, winkelpromenades enzovoort. Deze allesomvattende bewaking komt neer op een wezenlijk ‘scan-schap’: een ruimte die gevormd wordt door een beschermende zichtbaarheid en die in toenemende mate bepaalt waar kantoorpersoneel en middenklasse-toeristen zich in Downtown op hun gemak voelen. De camera op de werkvloer of in het winkelcentrum zal op den duur onvermijdelijk worden doorgeschakeld naar beveiligingssystemen thuis, persoonlijke ‘rampenschakelaars’, auto-alarmen, telefooncellen etc., in een vorm van ononderbroken en voortdurend toezicht op onze dagelijkse routine. Het is niet ondenkbaar dat yuppie-lifestyles binnenkort gekenmerkt zullen worden door het zich al dan niet kunnen veroorloven van elektronische guardian angels.

Ten derde worden grote gebouwen met steeds gevoeliger apparatuur en zware wapenarsenalen uitgerust. De wolkenkrabber met het computerbrein uit Die Hard I (in werkelijkheid de Fox-Pereira-toren van F. Scott Johnson) is de voorloper van een mogelijk genre architectonische anti-helden; rationele gebouwen die beurtelings het kwaad bestrijden, of er juist aan ten prooi vallen. Het waarnemingssysteem van de gemiddelde kantoorflat maakt nu al gebruik van panoptische beelden, reuk, temperatuur- en luchtvochtigheidsschommelingen, bewegingsdetectie en in sommige gevallen gehoor. Enkele architecten praten al over de dag waarop gebouwen, met behulp van hun eigen AI-beveiligingscomputer, in staat zullen zijn hun menselijke inhoud automatisch door te lichten, te identificeren en mogelijk zelfs te reageren op hun emotionele toestand (angst, paniek etc.). Het gebouw zelf zal, zonder gebruikmaking van beveiligingspersoneel, iedere crisis kunnen afhandelen – van het weren van straatvolk uit de toiletten of uit het gebouw, tot het opsluiten van indringers in de lift.

Als al het andere faalt verandert het intelligente gebouw in een combinatie van bunker en geschutsbasis. Toen de nationale Resolution Trust Corporation beslag legde op de inboedel van de Columbia Savings and Loan Association, ontdekte men dat president-directeur Thomas Spiegel het hoofdkantoor in Beverly Hills in het geheim had laten verbouwen tot ‘terrorismebestendig’ fort. Naast geavanceerde elektronische sensors, een computersysteem dat terroristische incidenten over de hele wereld bijhield en een wapenopslagplaats in de parkeergarage, beschikte het gebouw op Wilshire 8900 tevens over het merkwaardigste managerstoilet van Los Angeles: niet alleen was het kantoor van Tom Spiegel met kogelvrij glas uitgerust, het had ook een badkamer met kogelvrije douche. In geval van gevaar openden zich verborgen panelen in de douchewanden, waarachter zware geweren lagen opgeslagen.

De Open Vuurlinie

Achter het scanscape van de gefortificeerde kern bevinden zich de getto’s en barrio’s waardoor Downtown-Los Angeles omringd wordt. In het oorspronkelijke, op Chicago geënte schema van Burgess is dit de ‘overgangszone’: straten met pensions en huurkazernes afgewisseld door de oude bedrijven en aanvoerwegen, waar de pas gearriveerde immigrantengezinnen en ongehuwde arbeiders werden ondergebracht. Los Angeles’ binnenring van Latino-wijken die door snelwegen in stukken gesneden wordt, herinnert nog aan deze traditionele functies. Boyle en Lincoln Heights, Central-Vernon en MacArthur Park: aanloophavens voor de armste immigranten uit de regio en het laagbetaalde arbeidsleger van Downtowns hotels en sweatshops. Evenals in het Burgess-diagram is de bevolkingsdichtheid hier de hoogste van de stad. (Volgens de telling van 1990 telt één wijk van MacArthur Park bijna 30% meer inwoners dan Midtown-Manhattan heeft!)

Tenslotte vormt deze tenement-zone (waar op een klein oppervlak een buitensporig groot aantal kinderen opeengepakt zit), nog net als in het Chicago van 1927 de klassieke voedingsbodem voor tiener-street gangs (over de honderd volgens informatie van LA’s afdeling Onderwijs). Maar terwijl over het Gangland Chicago in 1920 nog getheoretiseerd kon worden als zijnde een wezenlijke overgangsfase in de sociale ordening van de stad – terwijl de gegoede woonwijken plaats maken voor de oprukkende industrie en handelsondernemingen, ontwikkelt de gang zich als één uiting van de economische, morele en culturele voorgrens die ontstaat op het breukvlak – zou een gang-plattegrond van het Los Angeles van nu samenvallen met de sociale klasse-geografie. Het getribaliseerd geweld van de teenagers in de binnenring verspreidt zich al naar de oudere voorsteden; de Boyz zitten nu in de Hood waar Ozzie en Harriet vroeger woonden.

Desalniettemin is de binnenring nog altijd de gevaarlijkste sector van de stad. De LAPD’s Ramparts Division die even ten westen van Downtown opereert, heeft stelselmatig met meer gevallen van doodslag te maken dan enig ander wijkteam in het land. Het nabijgelegen MacArthur Park, ooit de parel op de kroon van LA’s parkwezen, is tegenwoordig een open vuurlinie waar crackdealers en streetgangs hun geschillen beslechten met geweren en uzi’s. Alleen al in 1990 vonden er dertig moorden plaats.

De overbelaste LAPD-korpsen in de binnenstad geven openlijk toe dat ze niet over genoeg mankracht beschikken om zich met alle lijken op straat bezig te houden, laat staan dat ze de dagelijkse inbraken, autodiefstallen of afpersingen door gangs de baas zouden kunnen. De vertwijfelde inwoners van de binnenring worden aan hun lot overgelaten, zonder de financiële middelen of politieke invloed van de rijkere buurten. Als laatste redmiddel zoeken zij hun heil bij de heren Smith & Wesson, een naam die op menige patio prijkt na de woorden wordt beschermd door…

Ondertussen voeren de huisjesmelkers van de slums hun eigen schrikbewind onder de dealers en kleine criminelen. Onder druk van nieuwe wetten die het mogelijk maken drugspanden te onteigenen, huren ze knokploegen en gewapende huurlingen in om de misdaad in hun woningen ‘uit te roeien’. Onlangs werd in de LA Times verslag gedaan van de opwindende wederwaardigheden van een van deze clubs die opereert in de wijken Pico-Union, Venice en Panorama City in de San Fernando Valley.

Dit beveiligingsteam onder leiding van ‘avonturier’ David Roybal, twee meter twintig en 140 kilo, is bij huiseigenaren befaamd om zijn efficiënte beestachtigheid. Wie verdacht wordt van dealen of gebruiken wordt, samen met andere klaplopers en huiseigenaren onwelgevallige individuen, met fysieke gewapende kracht het gebouw uitgedreven. Wie zich verzet of zelfs maar protesteert wordt zonder pardon in elkaar geslagen. Zoals de Times schrijft, grepen Roybal en z’n ploeg (tijdens een razzia in Panorama City een paar jaar geleden) zoveel huurders en krakers bij de kladden wegens drugs, dat ze van een recreatieruimte een grote cel maakten waar de arrestanten aan de met bloed besmeurde muren werden geketend. De LAPD was op de hoogte van deze ‘privé-gevangenis’ maar negeerde de klachten van de huurders want het is in het algemeen belang.

Roybal en trawanten vertonen een nauwe gelijkenis met de zogenaamde matadors, de huurling-revolverhelden in de woonwijken van Brazilië die met grote regelmaat hardnekkige criminelen en zelfs straatkinderen executeren, terwijl de politie moedwillig de ogen sluit. Wij klaren het karwei waar anderen falen luidt het gezamenlijk motto. Of zoals een van Roybals zeer gewelddadige medeplichtigen uitlegt: Iemand moet de dienst uitmaken en als wij ergens komen, doen wij dat. Als iemand bijdehand is slaan we ‘m verrot, gewoon op de vloer, waar z’n vrienden bijstaan. We doen ze handboeien om en schoppen ze in elkaar, en als de ziekenwagen komt zeggen we, Yo, klaag me maar aan.

Naast deze ‘huur-een-heffo’s’ kent de binnenstad inmiddels ook een uitgebreide handel die moet voorzien in de vraag naar tralies en gaas voor de woningbeveiliging. In de binnenring lijken de meeste huizen intussen dan ook op kooien in een dierentuin. Het arbeidersgezin van nu moet zich iedere nacht insluiten voor de gezombificeerde stad daarbuiten, alsof ze in een film van George Romero wonen. Eén onbedoelde bijwerking hiervan is de angstaanjagende toename van het aantal branden waarbij complete gezinnen, hulpeloos gevangen in hun vergrendelde huizen, in de vlammen omkomen.

De celwoning duikt in vele gedaanten weer op in het binnenstedelijke landschap. Al voor de lenteoproer hadden de meeste slijterijen, in navolging van de banken van lening, het winkelgedeelte achter de toonbank volledig betralied en het vuurwapen op een strategische plaats verborgen. Zelfs bij veel plaatselijke vetkoningen vond de transactie hamburger/geld uitsluitend nog plaats door kogelvrije kunststoftralies. Het straatbeeld wordt het afgelopen decennium belaagd door graffiti-werende, vensterloze betonkolossen, als betrof het jeugdpuistjes. Inmiddels kunnen de verzekeraars deze relbestendige bunkers praktisch verplicht stellen bij de renovatie van vele wijken.

Ook de plaatselijke lagere- en middelbare scholen zijn steeds minder van gevangenissen te onderscheiden. Terwijl de onderwijsuitgaven per inwoner van Los Angeles tot een dieptepunt gedaald zijn, worden de schaarse fondsen gestoken in de fortificatie van speelplaatsen en het inhuren van gewapende beveiligingsagenten. Tieners beklagen zich bitter over overvolle klaslokalen, gedemoraliseerde leraren en aftakelende campussen die niet veel meer voorstellen dan justitiële dagverblijven voor een vergeten generatie. De speelplaats heeft inmiddels veel weg van een oorlogsslagveld. Zoals hun ouders vroeger geleerd werd onder de tafels te kruipen in geval van een kernoorlog, wordt de scholieren van nu geleerd om op het teken van de leraar dekking te zoeken in het geval van een drive-by shooting – en zich niet te verroeren totdat het ‘kust veilig’ gegeven wordt.

De door de landelijke overheid gesubsidiëerde woningbouwprojecten beginnen op hun beurt een steeds grotere gelijkenis te vertonen met de beruchte ‘strategische dorpen’ waarin destijds de Vietnamese plattelandsbevolking gedetineerd werd. LA kent weliswaar nog geen woningbouwprojecten met de geavanceerde technologie van Chicago’s Cabrini-Green, waar gebruik wordt gemaakt van netvlies-scans om persoonsgegevens na te trekken (vgl. de openingsscène van Blade Runner), maar de bewegingsvrijheid wordt er in toenemende mate bepaald door de politie. Net als boeren van een opstandige plattelandsstreek, worden bewoners van alle leeftijden naar believen staande gehouden en gefouilleerd of onderworpen aan wederrechtelijke huiszoekingen. In één bijzonder grof geval arresteerde de LAPD, een paar weken voor de rellen in de lente van 1992, meer dan vijftig mensen tijdens een bliksemrazzia in het Imperial Courts-woningbouwproject in Watts.

In deze stad, die met de grootste woningnood in het land te kampen heeft, zijn de projectbewoners uit angst ontruimd te worden steeds minder geneigd aanspraak te doen gelden op hun grondwettelijke bescherming tegen illegale huiszoeking of inbeslagname. Intussen geven landelijke richtlijnen de huisvestingsautoriteiten het recht om gezinnen van vermoedelijke dealers of criminelen te ontruimen. Hiermee staat de weg vrij naar een politiek van collectieve bestraffing zoals bijvoorbeeld wordt toegepast door de Israeli’s tegen de Palestijnse bevolking van de West Bank.

De Halve Manen van de Onderdrukking

In het oorspronkelijke Burgess-diagram wordt het ‘dartboard’ dat de fundamentele socio-economische stadsordening weergeeft, doorkruist door de ‘halve manen’ die gevormd worden door de etnische enclaves (Deutschland, Klein-Sicilië, de Zwarte Gordel etc.) en specifieke architectonische ecologieën (‘familiehotels’, ‘laagbouw’ etc.). In de hedendaagse metropool Los Angeles kunnen we het ontstaan zien van een nieuw, speciaal soort enclave welke nauw samenvalt met de militarisering van het landschap. Bij gebrek aan een nauwkeuriger gemene deler zullen wij de term ‘sociale beheersingswijken’ (SBW’s) gebruiken. Hier zien we de versmelting van ruimtelijke ordening en de sancties uit het (burgerlijk) strafrecht, tot wat Michel Foucault ongetwijfeld herkend zou hebben als verdere voorbeelden van de evolutie van de ‘disciplinaire orde’ van de twintigste-eeuwse stad.

Zoals Christian Boyer Foucault parafraseert: De disciplinaire heerschappij distribueert lichamen in de ruimte door aan elk individu een celvormige sectie toe te wijzen, waarbij uit deze analytische ruimtelijke ordening een functionele ruimte ontstaat. Uiteindelijk wordt deze ruimtelijke matrix tegelijkertijd werkelijk en onwerkelijk: een hiërarchische organisatie van cellulaire ruimte en een zuiver ideale orde die wordt opgelegd aan de vorm van die ruimte.

De hedendaagse SBW’s (die zowel ‘werkelijk’ als ‘ideaal’ zijn) kunnen worden ingedeeld naar hun mate van justitiële ruimtelijke ‘discipline’. Bestrijdings-gebieden, momenteel in aangegeven wijken van Los Angeles en Hollywood in het leven geroepen ter bestrijding van graffiti en prostitutie, breiden het traditionele recht van de politie om op te treden tegen ‘overlast’ (de juridische basis van iedere indeling in zones) uit van de produktie van schadelijke stoffen tot schadelijk gedrag. Doordat zij direct gefinancierd worden uit de geïnde boetes of bijzondere belastingen (bijv. op verfspuitbussen), bieden de bestrijdingsgebieden de mogelijkheid aan huiseigenaren en winkeliersverenigingen om een harder optreden te eisen tegen specifiek plaatselijke sociale problemen.

In toezichts-gebieden, zoals in heel Zuid-Californië vertegenwoordigd door de ‘drugsvrije zones’ rondom openbare scholen, worden door de staats- of landelijke overheid extra straffen of ‘verzwaringen’ opgelegd aan misdrijven die begaan worden binnen een gespecificeerde omtrek rond openbare instellingen. De beheersings-gebieden zijn bedoeld ter isolatie van potentieel epidemische sociale problemen, die kunnen variëren van onze illegale immigrant, de Mediterrane fruitvlieg, tot de immer groeiende massa dakloze Angelenos Al worden de grenzen van de ‘daklozenbeheersingszone’ in Downtown-LA niet op even surrealistisch nauwkeurige wijze aangegeven als de ‘Medfly Quarantine Zone’ van het Ministerie van Landbouw, vormt deze toch een van de meest dramatische voorbeelden van een SBW. De stadspolitiek verhindert de verspreiding van daklozen-kampementen naar de omliggende wijken en chiquere delen van Downtown, door hun ‘beheersing’ (officiële term) in de overbevolkte achterbuurt die als Central City East bekend staat (oftewel de ‘Bajes’ volgens de bewoners). Hoewel de door de crisis veroorzaakte explosieve toename van het aantal daklozen de zwervers onverbiddelijk de stegen en leegstaande gebouwen van de aangrenzende wijken in de binnenring indrijft, houdt de LAPD vast aan haar meedogenloze politiek om hen terug te jagen naar de uitzichtloosheid van de Bajes.

De tegenovergestelde strategie bestaat natuurlijk uit de formele uitsluiting van daklozen en andere groepen paria’s van gebruik van de openbare ruimte. De laatste tijd heeft een hele reeks steden in Southland, van Orange County tot Santa Barbara en zelfs de ‘Volksrepubliek Santa Monica’, ‘anti-kampeer verordeningen’ aangenomen die de daklozen uit het gezicht moeten houden. Intussen volgen Los Angeles en Pamona het voorbeeld van het stadje San Fernando (de geboorteplaats van Richie Valens) door aan gangleden een parkverbod op te leggen. In deze ‘Gang-vrije Parken’ wordt het gang-lidmaatschap bestraft met niet-ruimtelijke sancties (met name STEP, de nieuwe Wet Terrorismebestrijding en -voorkoming); een soort ‘verbod op vereniging’ waarbij, ook zonder specifiek gepleegde misdaden, het lidmaatschap van een groep strafbaar gesteld wordt.

Dit soort criminalisering van groepen heeft in diepste wezen te maken met de projectie van middenklasse- en conservatieve fantasieën omtrent aard en wezen van de ‘gevaarlijke klassen’. Zo voerde de negentiende-eeuwse bourgeoisie een kruistocht tegen het grotendeels denkbeeldige ‘zwerversgevaar’ en hallucineerde men in de twintigste eeuw over een ‘rood gevaar’. Uiteindelijk dook halverwege de tachtiger jaren de geest van Cotton Mather plotseling weer op in de voorsteden van Zuid-Californië. Beschuldigingen aan het adres van de plaatselijke kinderdagverblijven, die in werkelijkheid brandhaarden van duivelse perversie zouden zijn, wierpen ons in één klap terug naar de zeventiende eeuw en de heksenprocessen van Salem. Gedurende de kindermishandelingszaak tegen de McMartin-kleuterschool – die de duurste en langstslepende vergelijkbare zaak van de Amerikaanse geschiedenis zou worden – getuigden de kinderen over misbruik door leraren die op bezemstelen rondvlogen of op andere wijze blijk gaven van bezetenheid door de Duivel.

Eén nalatenschap van de collectieve hysterie waarmee dit gepaard ging en die ongetwijfeld grotendeels voortkwam uit het plaatsvervangend schuldgevoel van vele ouders, was het ontstaan in San Dimas van de eerste ‘kindermishandelingsvrije zone’ in het land. Dit voorstadje à la Twin Peaks, in de oostelijke San Gabriel Valley, werd van onder tot boven volgeplakt met de waarschuwing, Handen thuis! Onze kinderen zijn beschermd. Wij hebben hun foto’s en vingerafdrukken. Mij is niet bekend in hoeverre de legers loerende pedofielen in de bergen rond San Dimas ook werkelijk werden afgeschrikt door deze waarschuwing, maar het is een feit dat iedere poging om de hedendaagse stedelijke ruimte in kaart te brengen, het bestaan zal moeten erkennen van dergelijke duistere, Lynchiaanse zones, waar de sociale verbeelding haar fantasie op loslaat.

Ondertussen lijkt het Zuid-Californië van na de rellen zich op te maken om steeds meer SBW’s te creëren. Enerzijds worden de buurten er, met de komst van het landelijke Weed and Seed-programma dat de financiering van de wijkopbouw koppelt aan de gangbestrijding, hernieuwd toe aangezet om uitsluitings- en/of toezichtsstrategieën te ontwikkelen. Zoals veel activisten al waarschuwden, heeft het ‘wieden en zaaien’ veel weg van een politiestaat-karikatuur van de War on Poverty van de jaren ’60, waarbij het justitiële apparaat de rol van manager van het stadsherstel krijgt toegeschoven. De armen zullen geen andere keus hebben dan hun medewerking te verlenen aan hun eigen criminalisering, als de eerste voorwaarde voor ontwikkelingshulp.

Anderzijds is het niet ondenkbaar dat de nieuwe technologieën de conservatieven – en vermoedelijk ook de nieuw-linksen –, pas echt de kans zullen geven te experimenteren met kostenbesparende voorstellen voor gemeenschapsdetentie, als alternatief voor de bouw van dure nieuwe gevangenissen. Aangevoerd door Charles Murray, de ideoloog van het Heritage Institute – wiens polemiek tegen sociale voorzieningen voor de armen, Losing Ground uit 1984, als het krachtigste manifest van het Reagan-tijdperk gold – beginnen conservatieve theoretici al te speculeren over de uitvoerbaarheid van een bajesstad zoals we die kennen uit SF-fantasieën zoals Escape from New York.

Murray’s uitgangspunt, zoals voor het eerst uiteengezet in de New Republic van 1990, is dat drugsvrije zones voor de meerderheid mogelijk de creatie zullen vereisen van sociale vuilnisbelten voor de gecriminaliseerde minderheid. Als het resultaat van deze politiek (het onbeperkte recht van huiseigenaren en werkgevers tot discriminatie bij de selectie van huurders en werknemers) de concentratie betekent van de rotte appels in enkele super-gewelddadige asociale buurten, dan moet dat maar. Maar hoe de onderklasse effectief in haar eigen ‘supergewelddadige’ mega-SBW’s, en uit de drugsvrije Shangri-la’s van de bovenklasse te houden?

Eén mogelijkheid zou de systematische aanleg zijn van discrete beveiligingspoorten, die aan de hand van universeel geregistreerde biometrische kenmerken de menigte en voorbijgangers zouden kunnen doorlichten. De elegantste oplossing, aldus een artikel in de Economist, is een biometriek die kan worden gemeten zonder dat de betrokkene er ook maar iets voor hoeft te doen. Het per individu unieke patroon van de iris bijvoorbeeld kan gescand worden door verborgen camera’s zonder dat de betroffene er iets van hoeft te merken. Dit zou bijvoorbeeld van nut kunnen blijken op vliegvelden – bij de opsporing van een Tamil Tijger of van hen wiens aanwezigheid verder nog pupilverwijding zou kunnen veroorzaken bij het bewakingspersoneel.

Een andere technologie in opkomst is het gebruik dat de politie maakt van LANDSAT-satellieten gekoppeld aan Geografische Informatie Systemen (GIS). Het is vrijwel zeker dat aan het eind van dit decennium alle grotere metropolen in de VS, waaronder ook Los Angeles, gebruik zullen maken van geosynchrone LANDSAT-systemen om het verkeer te regelen en zicht te houden op de stedelijke planning. Kosten en baten van datzelfde LANDSAT-GIS-vermogen zouden gedeeld kunnen worden met de politiekorpsen om de bewegingen bij te houden van tienduizenden elektronisch gemerkte individuen en hun automobielen.

Hoewel dit toezicht zich in de eerste plaats zal richten op de beveiliging van dure sportwagens en ander speelgoed van de rijken, zal niets kunnen verhinderen dat dezelfde technologie wordt toegepast als equivalent van een elektronische handboei op de activiteiten van hele groepen stadsbewoners. Drugscriminelen en gangleden kunnen van een ‘streepjescode’ worden voorzien en onder het alziend toezicht worden gesteld van satellieten die 24 uur per dag hun bewegingen in de gaten houden, om automatisch alarm te slaan als zij de grenzen van hun bewakingsdistrict overschrijden. In het licht van dergelijke machtige, Orwelliaanse sociale beheersingstechnologieën zou ‘detentie in de gemeenschap’ wel eens hetzelfde kunnen gaan betekenen als ‘detentie van de gemeenschap’.

De Buren Kijken

Onlangs nam een zorgelijke delegatie van politieambtenaren uit de ex-DDR contact op met de LAPD. De voormalige Oostduitsers, die sinds hun toetreding tot het Westen te kampen hadden met een massale toename van misdaad en racistisch geweld, waren wanhopig op zoek naar meer informatie over LA’s meest gevierde ordehandhaver. Hiermee doelden ze echter niet op commissaris Willie Williams, of zijn voorganger Daryl Gates. In plaats daarvan wilden ze meer te weten komen over ‘Bruno the Burglar’, de gemaskerde stripboef die te bewonderen valt op de ontelbare borden waarmee de grenzen van de ‘Buurtwacht’-wijken worden aangeven.

Het Buurtwacht-project, waarin van San Pedro tot Sylmar meer dan 5.500 surveillancegroepen zijn opgenomen, vormt de belangrijkste innovatie op het gebied van de stedelijke ordehandhaving van de LAPD. In de ‘Arbeidersbuurten’ van Burgess, waartoe in Los Angeles zowel de koopwoning-wijken van de binnenstad als de oudere arbeidersvoorsteden in de San Fernando- en San Gabriel-valleys gerekend moeten worden, wordt door een gigantisch netwerk van waakzame buren een beveiligingssysteem geleverd dat het midden houdt tussen de belegerde en tot op de tanden bewapende anomie van de binnenring en de privé-politie van de rijkere omheinde voorsteden.

Het idee van de buurtwacht, waarvan het voorbeeld inmiddels is opgevolgd door honderden Noordamerikaanse en zelfs Europese steden – van Rosemead tot Londen -, is het geesteskind van ex-commissaris van politie Ed Davis. Tijdens de nasleep van de onlustencyclus die van 1965-’71 woedde in Southcentral- en East LA, bedacht Davis het project als de basis van een uitgebreidere ‘Basic Car’-strategie, die de aanhang van de LAPD in de gemeenschap zou moeten opvijzelen door de totstandbrenging van een territoriale identiteit tussen de surveillance-eenheden en de buurten. Hoewel zijn opvolger Daryl Gates de voorkeur gaf aan de SWAT-teams (zijn uitvinding) boven de ‘Basic Car’, werden de buurtwachten tijdens de tachtiger jaren verder uitgebreid.

Volgens LAPD-persvoorlichter brigadier Christopher West zijn de per blok georganiseerde buurtwachtgroepen bedoeld ter verhoging van de plaatselijke solidariteit en het zelfvertrouwen van de bevolking tegenover de misdaad. Onder aanvoering van hun blokhoofden worden buurtbewoners waakzamer gemaakt wat betreft de bescherming van hun wederzijdse veiligheid en bezit. Van verdacht gedrag wordt onmiddellijk melding gemaakt en huiseigenaren plegen regelmatig overleg met de surveillerende agenten om misdaadpreventie-tactieken door te nemen.

Een buiten diensttijd geïnterviewde agent in een Winchell’s donutshop wist het nog beeldender te beschrijven. De buurtwacht heeft de functie van het wagenkonvooi in een ouderwetse cowboyfilm. De buurtbewoners zijn de settlers, en het doel is hen te leren om met hun wagens een kring te vormen en de Indianen van zich af te houden totdat de cavalerie – dat wil zeggen, de LAPD – hen kan komen redden.

We hoeven er niet op te wijzen dat deze Wild West-analogie haar duistere zijden heeft. Om maar iets te noemen, wie bepaalt welk gedrag ‘verdacht’ is, en wie er op een ‘Indiaan’ lijkt? Het voor de hand liggende gevaar van een programma waarbij duizenden burgers worden ingelijfd als politie-informant onder het officiële motto Wees op Vreemdelingen Bedacht, is de onvermijdelijke stigmatisering van onschuldige groepen mensen waarmee dit gepaard gaat. Met name de teenagers van de binnenstad worden gemakkelijk slachtoffer van dit soort onverholen stereotypering en mishandeling.

Laat ik ter illustratie beschrijven wat mij eens overkwam op een vergadering van de buurtwachtgroep in mijn wijk (Echo Park, vlakbij Downtown). Een oudere witte vrouw vroeg aan een jonge agent waaraan ze de hardcore-gangjongere moest herkennen. Zijn antwoord luidde verbluffend eenvoudig: Gangbangers dragen dure gymschoenen en schoongestreken T-shirts. De oudere vrouw knikte dankbaar om dit advies van een ‘expert’, terwijl bij andere aanwezigen het angstzweet uitbrak bij de gedachte aan alle goedgeklede jongeren in de buurt die straks zouden worden aangehouden en gefouilleerd als gevolg van dit belachelijke cliché.

Critici zijn ook bang dat de buurtwachten een dubbele functie vervullen als verkapte partijpolitieke stemmenwinners. Zoals brigadier West beaamde, de blokhoofden worden aangesteld door de hoofdagenten, en neigt het project er onvermijdelijk toe de meer pro-politie gezinde delen van de bevolking aan te spreken. Bovendien zijn deze pro-politie activisten in demografische en culturele zin meestal niet bepaald representatief voor hun wijk. In de arme wijken van voornamelijk jonge Latino’s zijn de Wachthoofden vaak oudere, autochtone blanken. In wijken waar huurders in de meerderheid zijn, is de typische pro-politie activist huiseigenaar of in het bezit van een koopwoning. Hoewel er officiële richtlijnen bestaan die zouden moeten verzekeren dat de buurtwacht een a-politieke aangelegenheid blijft, worden de blokhoofden over het algemeen beschouwd als de feitelijke buurtwerkers van Parker Center. In 1986 bijvoorbeeld voerde de politiebond als vanzelfsprekend op Buurtwacht- vergaderingen campagne voor herziening van de linkse meerderheidsstem aangaande de kwestie van het staats-Hooggerechtshof.

De nieuwe ‘adviescommissies wijkordehandhaving’ die werden opgericht na de Rodney King-zaak, kunnen nauwelijks onpartijdiger genoemd worden. De hervormingscommissie onder leiding van Warren Christopher uitte weliswaar kritiek op het niet reageren van de LAPD op de klachten van burgers, maar verzuimde zorg te dragen voor democratisch gekozen adviescommissies. Zoals bij de buurtwachten al het geval was, zijn de commissieleden volkomen afhankelijk van plaatselijke politiecommissarissen. Toen de adviescommissie in Venice het bijvoorbeeld waagde haar goedkeuring te verlenen aan een voorstel voor verkiezingen in de lente van 1992, dat afkomstig was uit politiecommissie-gelederen maar waar de politiebond op tegen was, werden de leden eenvoudig ontslagen door de commandant van de Pacific Division. De bevreesde politiecommissieleden weigerden vervolgens tussenbeide te komen ten behoeve van hun eigen aanhangers.

De door de buurtwachten en ‘gemeenschap & politie’-projecten gebruikte retoriek mag dan bolstaan van de pionierswaarden die zo uit een Western van John Ford lijken weggelopen, de werkelijkheid van de projecten doet meer denken aan een (ex-) Oost-Duitsland of Zuid-Korea, waar op iedere straathoek politie-informanten staan om op buren en verdachte vreemdelingen te letten.

Mini-Citadellen en Gerontocraten

Toen ik halverwege de jaren tachtig begon met de studie van ‘omheinde gemeenschapen’, beperkte die trend zich nog voornamelijk tot de zeer rijke buurten en nieuwbouwprojecten aan de ver afgelegen stadsgrens (bijv. de gebieden die door Burgess werden omschreven als de ‘besloten woonwijk’ of de ‘forensenzone’). sinds de rellen van 1992 hebben echter al tal van doodgewone woonwijken het recht opgeëist om zichzelf te mogen afrasteren van de rest van de stad. Of zoals é én bepaalde krant het verwoordde De jaren ’80 zagen de oopkomst van de mini-promenade; de jaren ‘990 zouden wel eens de jaren van de mini-citadel kunnenworden.

Hoewel misdaad en veiligheid als motief worden aangevoerd, zou kapitaalgroei weleens de werkelijke drijfveer kunnen zijn. Sommige makelaars schatten dat ‘omheining’ de waarde van een huis de komende tien jaar tot 40% zal doen toenemen. Terwijl hele buurten – met inbegrip van zwarte middenklasse-wijken zoals Windsor Village en de Baldwin Hills Estates – zich haasten om een graantje mee te pikken van deze meevaller, begint ‘Woonzone IV’ van Burgess sterk te lijken op een gefortificeerde honingraat, waarin iedere wijk zich in zijn eigen ommuurde cel heeft afgezonderd. Verder huren de plaatselijke verenigingen van huiseigenaren in veel gevallen een gewapende privé-politiemacht in, bij een van de vele beveiligingsmultinationals die zich specialiseren in de beveiliging van woonhuizen. Het behoeft geen uitleg dat dit de ‘beveiligingsdifferentie’ tussen de binnenstad en de voorsteden alleen maar vergroot.

De vurigste pleitbezorgers van de ‘besloten buurt’ zijn te vinden in huishoudens waarvan de kinderen de deur uit zijn. De tweedeling van Los Angeles berust dan ook in belangrijke mate niet alleen op de scheiding tussen rijk en arm, maar meer in het bijzonder op die tussen arme jongeren en rijke ouderen. Bovendien wees de telling van 1990 uit dat de kloof tussen de grootte van woning en huishouden in Los Angeles de grootste van het land is. De steeds grotere huizen in de heuvels van Westside en Hollywood, waar ‘villaficatie’ lange tijd in de mode was, worden door de kleine blanke huishoudens van weleer bewoond, terwijl in de rest van de stad de grote Latino-gezinnen op een steeds kleinere oppervlakte gestouwd worden.

Alles bij elkaar is Californië hard op weg een gerontocratie te worden, en elke post-Blade Runner-dystopie zal zich dan ook rekenschap moeten geven van de explosieve mengeling van klasse-, etnische- en generatietegenstellingen. Kort geleden gunden drie vooraanstaande demografen uit de staat ons een blik op de mogelijk nabije toekomst. In hun ‘somberste scenario’ breekt er in het jaar 2030 een burgeroorlog uit, nadat de heersende klasse van bejaarde, blanke geboortegolfkinderen, die vanuit haar ‘bewaakte en beveiligde dorpen’ het leeuwedeel van de belastingopbrengsten in eigen zak steekt om haar eigen geriatrische voorzieningen te bekostigen, haar ijzeren wil probeert op te leggen aan de enorme onderklasse van jonge Latino’s in ”’barrio’s’ zonder elektriciteit of bestrating.

In de fabrieken werd gestaakt, beveiligingsmuren werden in brand gestoken of omvergeworpen, in de oudere wijken bereikten wapenhandel en prijzen recordhoogtes. De jongere Latino’s schilderden de ouderen af als parasieten die alle maatschappelijke voorzieningen hadden genoten toen deze nog gratis waren, en nu botweg de belasting van de arbeiders gebruikten om hun levensstijl op te houden. De ouderen op hun beurt schilderden de jonge Latino’s af als buitenlanders die voor de ouderen bedoelde voorzieningen opslokten, als niet-Amerikanen die de Amerikaanse cultuur zouden verzwakken, als van nature misdadig, ziekelijk en zonder rechtsgevoel. Beide partijen maakten zich op voor de definitieve slag. ”

Eind zomer ’92 nam de wetgevende macht van Californië een flinke stap richting de verwerkelijking van dit scenario, door het aankondigen van forse bezuinigingen op het gebied van onderwijs en uitkeringen. De Democraten zwichtten voor de onverzettelijke Republikeinse gouverneur Pete Wilson, die er herhaaldelijk op wees dat het werkelijke probleem niet de huidige recessie, maar de demografie was. Wilson rekende uiteraard op de onwil van de oudere blanke kiezers (nog altijd een electorale meerderheid) om nog langer hun steun te geven aan de traditioneel hoge onderwijsuitgaven in Californië, nu de scholen steeds meer bevolkt worden door Latino- en Aziatische leerlingen. Het begrotingsdebat sloeg twee onverenigbare vliegen in één klap: die van de burgerzin en die van het recht op bijstand.

Parallelle Universa

Burgess en zijn studenten, voor wie het Chicago van de twintiger jaren één groot laboratorium was, twijfelden geen moment aan de ‘ruwe werkelijkheid’ van de fenomenen die zij systematisch in kaart trachtten te brengen. De empirische methode kwam overeen met de empirische realiteit. Het beeld, de mythografie van de stad deed zich niet voor als belangwekkende sfeer op zich. Evenmin schonk de School van Chicago enige aandacht aan de kritieke rol die de Tentoonstelling van Columbia vervulde als ideaalbeeld van de stedelijke planning. De Wereldtentoonstellingen in Chicago (1892 en 1933) waren weliswaar pretparken avant la lettre, maar de stedelijke sociologie bood nog geen conceptuele plaats voor de stad als simulatie.

Vandaag de dag is het probleem onvermijdelijk geworden. De hedendaagse stad simuleert (of hallucineert) zichzelf op tenminste twee doorslaggevende manieren. Ten eerste verdubbelt de stad zichzelf in dit tijdperk van elektronische cultuur en economie, door middel van de complexe architectuur van haar informatie- en medianetwerken. Wellicht zullen postmoderne flaneurs (of ‘toetsenbord-cowboys’), zoals door William Gibson voorspeld, binnenkort met hun driedimensionale interfaces kunnen dwalen door de lumineuze geometrie van deze mnemotechnische stad, waar data-bases ‘blauwe piramides’ en ‘kille helix-armen’ worden.

In dat geval zal de urbaine cyberspace – opgevat als de simulatie van de stedelijke informatie-orde – zich doen gelden als nog beslotener, en nog sterker van enige ware openbare ruimte gespeend, dan de traditionele stad-van-steen. Southcentral-LA bijvoorbeeld is een zwart gat wat betreft data en media, verstoken van enige lokale TV-programmering of verbindingen naar de grote datasystemen. Zoals het in de vroege twintigste eeuw tot een huisvestings- en arbeidsgetto verwerd, ontwikkelt het zich nu tot een elektronisch getto binnen de informatiestad in opkomst.

Ten tweede wordt het sociale verbeeldingsvermogen in toenemende mate belichaamd door kunstmatige landschappen – pretparken, ‘historische’ wijken en promenades – die los staan van de rest van de metropool. De keizers van de postmoderne filosofie (Baudrillard, Eco, etc.) zijn het er uiteraard over eens dat Los Angeles de wereldhoofdstad van de ‘hyperrealiteit’ is. Traditioneel gezien waren de grote pretparken hier altijd in de eerste plaats architectonische simulaties van de film- en televisiewereld. Zo kon je bijvoorbeeld in de oude Selig-Zoo een kijkje nemen op de jungleset van Tarzan, of in Knotts Berry Farm en de bijbehorende spookstad Calico mee doen aan een heuse Western. En er was natuurlijk Disneyland, dat zijn deuren wijd open stelde voor het ‘Magisch Koninkrijk’ van tekenfilmhelden en karikaturale historische biografieën.

Tegenwoordig wordt de stad zelf – beter gezegd, haar ideaalbeeld – echter onderwerp van simulatie. Door de recente neergang van de militaire ruimtevaartindustrie in Zuid-Californië is de toerisme/hotel/amusementssector de grootste werkgever van de regio geworden. De toeristen staan echter steeds minder te springen om de reële gevaren van LA’s ‘stedelijke jungle’ te trotseren. Zoals een MCA-woordvoerder klaagde: Op iedere straathoek staat wel iemand met een bord Ik werk voor een bord eten, (…) het is niet leuk meer in de stad.

Volgens MCA en Disney ligt de oplossing in de nabootsing van essentiële delen van de stad binnen de veilige grenzen van hotel-forten en ommuurde pretparken. Als resultaat hiervan ontstaat geleidelijk aan een kunstmatig Los Angeles, dat in essentie een ondernemersarchipel is van zwaarbewaakte trekpleisters waar welgestelde toeristen zich kunnen ontspannen, massa’s geld uit kunnen geven en het weer ‘leuk’ kunnen hebben. Een grotendeels onzichtbaar leger laagbetaalde werknemers, zelf veroordeeld tot een bestaan in feitelijke thuislanden zoals de Santa Ana- (Disneyland) en Lennox (LAX) -barrio’s, moet de simulatie-machinerie draaiende houden.

De competitie omtrent ‘authenticiteit’ waarin deze gesimuleerde landschappen met elkaar verwikkeld zijn, heeft een merkwaardige dialectiek tot gevolg. De simulaties hebben de neiging niet het ‘origineel’ (voor zover daarvan sprake kan zijn), maar elkaar te kopiëren. Neem het voorbeeld van de meervoudige ofwel exponentiële hyperrealiteiten waarmee de ondernemersstrijd om het monopolie op ‘Hollywood’ gepaard ging.

Hollywood(s): De Machten van de Simulatie

Al vijfenzeventig jaar heerst er een wankel evenwicht tussen de vervallen wijk die Hollywood heet, en het glamoureuze Hollywood van de filmwereld. De filmsterren hebben natuurlijk nooit in de tenement-vlaktes gewoond en de meeste grote studio’s zijn al lang naar de voorsteden verhuisd. Nathaniel West gaf nog de beste beschrijving van het Hollywood van de jaren ’30; het tehuis van het ‘vlooienvolk’ – de figuranten, arbeiders, toneelknechten en mislukte would-be sterretjes.

Het verband tussen het Hollywood uit de verbeelding van het wereld-filmpubliek en zijn aardrijkskundige locatie, moest dan ook zorgvuldig in stand worden gehouden door regelmatig terugkerende rituelen (premières, Oscaruitreikingen, etc.) en de magische opwaardering tot toeristisch bedevaartsoord van een handvol locaties (de Bowl, Graumann’s, etc.). Maar met de aftakeling van het werkelijke Hollywood tot een super-gewelddadige achterbuurt, zag de afgelopen generatie ook de aftakeling van de magie en het einde van de rituelen. Het vervagende verband tussen historisch significator en gesignificeerde gaf gelegenheid tot de herrijzenis van Hollywood in een veiliger omgeving. Zo creëerde Disney in Orlando een verbluffende, Art Déco-afspiegeling van MGM’s ‘gouden eeuw’, terwijl aartsvijand MCA in de Universal Studios, Florida, pareerde met een eigen geïdealiseerde versie van de Hollywood Boulevard en Rodeo Drive.

Intussen leidde de vlucht naar Florida van Disney en Hollywood tot een verdere recessie op de woningmarkt in het echte Hollywood. Na een verbeten strijd met de plaatselijke huiseigenaren, wisten de belangrijkste grootgrondbezitters de stad akkoord te krijgen met een facelift van Hollywood Boulevard – $1 miljard. Opzet was de transformatie van de Boulevard in een afgerasterd, lineair pretpark dat gefinancierd zou worden door mega-amusementshallen aan beide uiteinden. Nog tijdens de onderhandelingen met potentiële investeerders echter trok MCA het kleed weg onder de voeten van Hollywood Redux met de aankondiging dat in Universal City, haar nabijgelegen belastingontduikingsenclave, zou worden begonnen aan de bouw van een parallelle stedelijke werkelijkheid onder de naam ‘CityWalk’.

CityWalk, bedacht door meester-illusionist Jon Jerde, is een ‘ideale werkelijkheid’, de samensmelting van het beste dat Olvera Street, Hollywood en de West Side te bieden hebben, in simpele hapklare brokken, te consumeren door toeristen en burgers die geen behoefte hebben aan het avontuur van rondvliegende kogels… in het Derde Wereldland dat Los Angeles is geworden. CityWalk biedt de bezoeker staaltjes Mission Revival en Art Déco, naast de Moderne stroomlijn en ‘LA Lokale Stijl’ (de Brown Derby), maar ook 3D-Billboards, een reusachtige King Kong in een 23 meter hoge neon-totempaal en een eigen wijkteam om de veiligheid te waarborgen. Ter verzachting van het pijnlijk kunstmatige gevoel van deze melange, worden een ‘tikje oudheid’ en een ‘vleugje rommel’ toegevoegd:

Door middel van decoratieve uitschieters zullen de ontwerpers de gloednieuwe straat voorzien van een aura van instant-geschiedenis; voor de openingsdag zal een aantal gebouwen zo beschilderd worden dat het lijkt alsof ze tot voor kort bewoond waren. In de terrazzovloer wordt snoeppapier ingemetseld, dat de indruk moet wekken dat het er door vorige bezoekers is achtergelaten.

De projectontwikkelaars van Hollywood gingen onmiddellijk in de tegenaanval, met de presentatie van een kosmetisch plan ($ 4,3 miljoen) waarvan één onderdeel de asfaltering van Hollywood Blvd. met ‘glitters’ van gerecycled glas zou zijn. Opgeruimd en beglitterd of niet, het lijkt niet waarschijnlijk dat de oude Boulevard het ooit op zal kunnen nemen tegen de hyperrealistische perfectie op de Universal-heuvel. Zoals de MCA-beheerders geduldig blijven uitleggen, is CityWalk geen promenade maar een revolutie op het gebied van de stedelijke vormgeving… een nieuw type stadswijk – een stadssimulator. Sommige critici vragen zich oprecht af of we hier niet met een moreel equivalent van de neutronenbom te doen hebben: de stad ontdaan van alle doorleefde menselijke ervaring. Het nep-fossiele snoeppapier en het overig bedrog: hoor de smadelijke lach van CityWalk terwijl het ieder spoor uitwist van ons waarachtig geluk, verdriet en inspanningen.

De Vervuilde Buitenrand

Waar houdt de nachtmerrie op? Burgess was niet bijster geïnteresseerd in stedelijke grenzen. Zijn dartboard Chicago loopt eenvoudig over in een vage ‘forensenzone’ en, daarachter, de Maïsgordel. De stadsgrenzen van Dystopia vormen echter een intrinsiek fascinerend probleem. Men zal zich het onwaarschijnlijke wijken voor de geest kunnen halen van de duistere megalopool uit Blade Runner voor het omringende Ecotopia – eeuwiggroene wouden en onbegrensde wildernis.

Een happy end dat het Los Angeles van het jaar 2019 beschoren zal blijven. Postmodern geograaf Edward Soja wees al op het feit dat de Zuidcalifornische grens nu al, langs een vrijwel ononderbroken omtrek van woestijnen, wordt afgebakend door militaire luchtmachtbases, oefenterreinen en woestijn-oorlogsreservaten. Ondertussen wordt er onmiskenbaar een tweede, niet minder angstaanjagende cirkel getrokken rond deze Pentagon-woestenij. Los Angeles, verstikt door de eigen afvalproduktie die haar stortplaatsen doet overlopen en haar kustwateren vervuilt, maakt zich op voor de export van haar afval en gifgrond naar de Eastern Mojave-woestijn en Baja California. In plaats van de produktie van gevaarlijk afval te verminderen, treft de stad eenvoudig voorbereidingen om de opslag ervan te ‘regionaliseren’.

Deze Vervuilde Buitenrand in spe houdt onder andere de aanleg in van reusachtige stortplaatsen bij Eagle Mountain (in de voormalige open ijzermijn Kaiser) en mogelijk in de omgeving van de gesloten luchtmachtbasis Adelanto. Verder zal de controversiële bouw van een opslag voor radioactief afval nabij Needles in de Ward Valley doorgang vinden en zullen zwaar vervuilende industrieën, zoals plaatwerkerij en meubelfabricage, moeten verhuizen naar Tijuana’s maquiladora-gordel. De gevolgen voor het milieu zouden weleens catastrofaal kunnen zijn.

Zo zullen bijvoorbeeld de 300.000 vaten nucleair afval die men wil opslaan in de open greppels van de Ward Valley, nog 10.000 jaar lang dodelijk zijn. Het radioactieve tritium zal een blijvend gevaar opleveren voor de nabijgelegen Colorado River; lekkage zou deze onvervangbare watervoorziening van het grootste deel van Zuid-Californië vergiftigen. De enorme stortplaats op Eagle Mountain – bijna 4 km3 – op zijn beurt zal niet alleen het grondwater vervuilen, maar zal ook een giftige smog-sluier creëren boven een groot deel van de oostelijke Riverside County. Verder zal de vlucht naar Mexico van gevaarlijke industrieën, die uiteindelijk een groot deel van LA’s petrochemische industrie in haar kielzog mee zal slepen, leiden tot een verhoogde kans op Bhopal-achtige catastrofes.

Kortgezegd zal de vorming van deze afvalgordel leiden tot een versnelde achteruitgang van het milieu van heel westelijk Amerika en delen van Mexico. Nu al is een derde van het bomenbestand van Zuid-Californië door smog verstikt, de diersoorten van de vervuilde Mojave-woestijn sterven in hoog tempo uit. In de toekomst zal de dodelijke werking van LA’s radioactieve en carcinogene afval zich wellicht doen gelden tot Utah of Sonora. De Vervuilde Buitenrand zal een uitgestorven zone zijn.

Voor het Ontwaken …

Alle Burgessiaanse diagrammen en analogieën terzijde, wat zal uiteindelijk het ware lot zijn van Los Angeles? Zullen de opkomende surveillance- en repressietechnologieën helpen de klasse- en rassenverhoudingen te stabiliseren, de kloof van de nieuwe ongelijkheid te overbruggen? Zal de ecologie van de angst de natuurlijke orde van de 21ste-eeuwse Amerikaanse stad worden? Zullen prikkeldraad en bewakingscamera’s eens dezelfde sentimentele herinnering aan het voorstadsleven met zich dragen, als witgeschilderde tuinhekken en honden die Spot heten?

Misschien kan een wereldwijd perspectief ons verder helpen. Het Los Angeles van het jaar 2019 zal de kern vormen van een moederheelal met zo’n 22-24 miljoen inwoners in Zuid- en Baja Californië. Samen met Tokio, Sao Paulo, Mexico City en Shanghai zal zij een nieuwe fase in de evolutie vertegenwoordigen: mega-steden met 20 tot 30 miljoen inwoners. Het is van belang te benadrukken dat we het hier niet alleen hebben over een grotere versie van een oude, welbekende soort; het betreft hier een volkomen nieuwe en onvoorziene sociale levensvorm.

In feite weet niemand of fysieke en biologische systemen van een dergelijke omvang en complexiteit wel levensvatbaar zijn. In elk geval geloven veel experts dat de groei van mega-steden in de Derde Wereld uiteindelijk zal uitmonden in milieu-holocausts en/of stedelijke burgeroorlogen. De hedendaagse ‘Nieuwe Wereldorde’ laat in ieder geval genoeg barbaarse voorbeelden zien van totale sociale desintegratie – van Bosnië tot Somalië – om de reële angst voor een apocalyps in de mega-steden te kunnen bevestigen.

Tokio vormt, ondanks de onvermijdelijke natuurrampen, de uitzondering op de regel – maar dan alleen dankzij het uitzonderlijk hoge niveau van publieke uitgaven, individuele welvaart en sociale discipline (en omdat Japan in culturele zin veel meer een stedelijke, dan een voorstedelijke samenleving is). Los Angeles echter heeft zich in het recente verleden meer ontwikkeld in de richting van een Sao Paulo of Mexico City, dan van een postmodern Tokio-Yokohama.

Theoretisch gezien is het natuurlijk niet uitgesloten dat een Democratische regering vanuit Washington het komende decennium het Amerikaanse stedelijke verval om zou kunnen keren, door zich te werpen op uitgebreide nieuwe openbare voorzieningen. Maar het zal uiterst moeilijk blijven om het Congres achter investeringen in de wederopbouw van de stadskernen Boswash en Zuid-Californië te krijgen, zolang het begrotingstekort uit het Reagan-tijdperk de binnenlandse politiek blijft domineren. Het voornaamste erfgoed van de Perot-beweging – de meest succesvolle kiezersopstand van de laatste 75 jaar – zou weleens precies die fiscale Gordiaanse knoop kunnen blijken die ze rond enige mogelijke oplossing voor de stedelijke crisis heeft weten te leggen.

Als de hoop op stedelijke vernieuwing, die door de aardverschuiving van Clintons verkiezing voorzichtig werd aangewakkerd, weer teniet wordt gedaan, kunnen de in dit pamflet beschreven dystopische tendensen alleen maar worden versneld. Met name in het specifieke geval van Los Angeles, waar door de recessie al een vijfde van de fabrieksbanen is weggesaneerd, is weinig vooruitzicht op steun van de privé-sector. Zelfs de traditioneel meest optimistische econometrische modellen voorspellen een ‘Texaanse’ regionale crisis die tot 1997 zal duren; de waarzeggers van de Southern California Association of Governments spreken zelfs van een stabiele werkeloosheid van 10-12% die de komende twintig jaar zal aanhouden.

Nu de gouden droom vervliegt, is het moeilijk te blijven geloven in geweldloze sociale vernieuwing. Als de rellen van 1992 een voorbode waren, zou het anomische buurtgeweld zich wel eens kunnen ontwikkelen tot een meer georganiseerde vorm van politiek geweld. Zowel smeris als gangleden praten al met angstaanjagende zakelijkheid over de onvermijdelijkheid van een of andere stadsguerilla-oorlog. En de groeimetropool Los Angeles is, ondanks alle nieuwe burenmuren en scanscapes – zelfs ondanks het toekomstig alziend politieoog – op unieke wijze vatbaar voor strategische sabotage.

Zoals al bleek in Belfast, Beiroet en, in een recenter verleden, Palermo en Lima, is de autobom het anonieme stedelijke terreurwapen bij uitstek (of in de woorden van een contra-spionage-expert, de surrogaatluchtmacht van de armen.) Met autobommen werd half Beiroet in puin gelegd, werd een wijk die bekend stond als het ‘Beverly Hills van Lima’ uitgemoord en werden Italiës zwaarst bewaakte ambtenaren afgeslacht. Als het Britse leger als enige in staat was Belfast uiteindelijk autobom-vrij te maken, was dit slechts te danken aan jarenlange toegewijde arbeid en de constructie van een gigantisch veiligheidsnet rond de hele binnenstad. Een vergelijkbaar preventieprogramma – het sluiten van de snelwegen en de zware versterking van alle openbare voorzieningen, olieraffinaderijen en – pijpleidingen en commerciële centra – zou in Los Angeles niet alleen tientallen miljarden dollars kosten, maar ook het einde betekenen van de stad als functionele eenheid.

Kortgezegd belooft LA’s wegennet aan de toekomstige stadsterrorist, wat het tropische regenwoud of de Andes-piek de plattelands-guerrillero biedt: de ideale uitvalsbasis.

Als wij blijven toestaan dat onze grote steden vervallen tot misdadige Derde Werelden, zal geen ingenieuze, hedendaagse of toekomstige beveiligingstechnologie de bezorgde middenklassen nog bescherming kunnen bieden. De knal van de eerste autobom die afgaat op Rodeo Drive of voor de City Hall, zal ons doen ontwaken uit wat maar een boze droom was – en ons met de werkelijke nachtmerrie confronteren.