dataretentie-magazijn

De databewaringsrichtlijn verplicht telecomoperatoren en internetproviders om verkeers- en locatiegegevens te bewaren zodat die beschikbaar zijn voor het onderzoek, de opsporing en vervolging van ernstige criminaliteit. De richtlijn werd in 2006 gestemd door de Raad van de Europese Unie als richtlijn 2006/24/EG. Ze werd in zowat alle Europese landen reeds omgezet in nationale wetgeving, maar lag van in het begin onder vuur als een buitensporige maatregel die duur en inefficiënt is en van elke burger een verdachte maakt.
In België werd de richtlijn in 2013 van kracht.
In 2015 verklaarde het Grondwettelijk Hof de wet echter ongrondwettelijk.
Ondertussen had het Europees Hof van Justitie de dataretentierichtlijn reeds nietig verklaard.

UPDATE 2016
Op 29 mei 2016 verschijnt een aangepaste versie van de wet. De bepalingen treden op 28 juli 2016 in werking. Die dataretentiewet 2.0 verschilt slechts weinig van de vernietigde wettekst – op wat cosmetische opsmuk na. Het valt daarom zeer te betwijfelen of deze facelift van het oude wetsontwerp stand zal houden bij een nieuwe klacht bij het Grondwettelijk Hof.

In dit dossier:

Wat wordt er precies bijgehouden?

De databewaringsrichtlijn omschrijft welke gegevens door de telecomoperatoren en internetproviders bijgehouden moeten worden. Het gaat om alle gegevens betreffende de betrokken personen, de datum, het tijdstip, de duur en de omvang van een telefoongesprek, een sms of e-mailbericht, alsook de gebruikte technologie en de locatie ervan.

Men wil met andere woorden weten wie met wie, wanneer, voor hoe lang en van waar gebeld, ge-sms’t of gemaild heeft. Daarnaast moeten ook de gegevens inzake de toegang tot het internet worden bewaard; bijvoorbeeld wanneer en van op welke computer (en dus vanuit welke plaats) u in- of uitlogde op het internet.

Fel bekritiseerd

De databewaringsrichtlijn werd in 2006 gestemd door de Raad van de Europese Unie als richtlijn 2006/24/EG. De omzetting in nationale wetgeving ging niet overal zonder slag of stoot. In Oostenrijk (2014), Duitsland (2010), Roemenië (2009 en 2014), Bulgarije (2008), Tsjechië (2011), Cyprus (2011), Slovenië (2014) en Ierland (2010) zette het Grondwettelijk Hof telkens grote vraagtekens bij het grondwettelijk karakter van de richtlijn. Niet toevallig zijn dit in de meeste gevallen landen waar ze uitgebreid ervaring hebben met een overheid die zijn burgers bespioneert.

Het oordeel in Duitsland: “Het Gerechtshof ziet in de Bewaarplicht een schending van het grondrecht op privacy. Zij is in een democratie onnodig. Het individu geeft geen aanleiding voor die inbreuk, maar kan bij normaal gedrag wel geïntimideerd worden vanwege het risico op misbruik en het gevoel gecontroleerd te worden (..) Het op grond van artikel 8 van het EVRM opgelegde evenredigheidsbeginsel wordt door de richtlijn niet nageleefd, en is daarom ongeldig.” (27/02/2009)

Meer info: